Distributie en bescherming van huurders
Distributie
en bescherming van huurders
Het
probleem van onvoldoende huurwoningen
Meer dan zestig jaar na
de tweede wereldoorlog wordt in ons land nog steeds een aantal goederen met een
distributiesysteem verdeeld. Auto’s en andere duurzame consumptiegoederen
worden vrijelijk verkocht en verhuurd, maar veel huizen zijn nog steeds
onderhevig aan distributie. Met name huurwoningen zijn schaars en niet
makkelijk te verkrijgen in een groot
aantal steden. Voor wie over genoeg geld beschikt zijn er meer dan genoeg koopwoningen
in verschillende prijsklassen, maar huren is veelal moeilijker. Dit is een
interessant verschijnsel. Juist in een tijd van overcapaciteit in de
bouwnijverheid zou men voldoende aanbod in alle deelsectoren van de woningmarkt
verwachten. De vraag is in hoeverre het overheidsbeleid een bijdrage kan
leveren aan het verminderen van tekorten.
Bescherming
van individuele huurders of van de groep
In ons land is lange tijd
gekozen voor bescherming van individuele huurders. Dat was begrijpelijk in een
periode van krap aanbod. Hogere prijzen voor woningen zouden immers het aanbod
van woningen niet verhogen. De woningmarkt is bij uitstek een voorraadmarkt,
doordat de jaarlijkse nieuwbouw slechts een zeer geringe fractie bedraagt van
de voorraad. De prijselasticiteit van het aanbod is dan ook uiterst laag.
Die lage
prijselasticiteit geldt wel voor het woningaanbod als geheel, maar hoeft
absoluut niet te gelden voor de huursector. Vooral bij leegstand van woningen
zou het aantrekkelijk kunnen zijn om deze te verhuren. Dat blijkt echter niet
zo te zijn, o.a. door de beschermende maatregelen die de overheid heeft
getroffen voor huurders. Wie een huis verhuurt hoeft er niet op te rekenen dat
hij een huur kan ontvangen die in overeenstemming is met de verkoopwaarde van
het pand. Ook bij een duidelijke overeenkomst kunnen huurcommissies de prijs
naar eigen inzicht en regels verlagen. Erger nog, de huur kan, tegen de zin van
de verhuurder en tegen de afspraken in van de huurovereenkomst, voor onbepaalde
tijd worden gecontinueerd. Van een vrije markt is dus geen sprake.
Er is alle reden om zich
te bezinnen op de vraag of dit een maatschappelijk wenselijke toestand is.
Bescherming van de individuele huurder lijkt een groot goed te zijn, maar komt
die bescherming ook ten goede aan de huurders als groep? Hiervoor dient men het
totale aanbod aan huurwoningen te bekijken. Het is duidelijk dat dit aanbod
beperkt wordt door eenzijdig beschermende maatregelen voor huurders, aangezien
potentiële aanbieders geen zekerheid hebben over hun huurinkomsten en de duur
van de huur. Wie binnen afzienbare tijd zijn woning zelf weer wil betrekken of
het pand wil verkopen kan veelal beter zijn huis niet verhuren. Tijdelijke
leegstand is vaak het gevolg. Soms heeft dat weer krakers aangelokt die in
Nederland lange tijd een aanzienlijke bescherming kregen.
Vergroting
van het aanbod
Is vergroting van het
aanbod van huurwoningen op korte termijn mogelijk? Opheffing van het
distributiesysteem met de daarbij horende bescherming van huurders en
vrijmaking van de markt van huurwoningen, zal op korte termijn extra aanbod uitlokken
in de verschillende prijsklassen. Het aanbod van huurwoningen als onderdeel van
het totale woningaanbod is immers veel elastischer dan het laatste. Op één
voorwaarde, dat de institutionele belemmeringen worden opgeheven. Dat zal in
eerste instantie gepaard gaan met prijsverhogingen, tot een evenwicht is
bereikt tussen huren en stichtingskosten. Vele koopwoningen zullen al gauw als
huurwoningen worden geëxploiteerd, wanneer de eigenaren meer zekerheid krijgen
over inkomsten en de vrijheid om de duur van de huur te beperken. Voor(onder)verhuur
van kamers geldt een en ander in versterkte mate. Het is niet zo aantrekkelijk
om een kamer van een woning te verhuren, wanneer het risico bestaat dat de
samenleving gedwongen voortgezet moet worden.
Aantallen
huurwoningen in Nederland
Een belangrijke vraag is
die naar het aantal woningen waar het eigenlijk om gaat. Het ministerie van
Volkshuisvesting enz. (VROM) en het CBS hebben onderzoek laten doen door
onderzoekers Blijie, Van Hulte en Poulus van ABF Research te Delft en Hooimeijer
van de Universiteit Utrecht. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de publicatie:
Het wonen overwogen, De resultaten
van het Woononderzoek Nederland 2009. Geconstateerd wordt dat we op 1 januari
2009 met bijna 16,5 miljoen mensen samen 7,3 miljoen zelfstandige huishoudens hadden,
die voor 96% een zelfstandige woning bewoonden (Hoofdstuk 2, Kerncijfers over
wonen).
Het relatieve aandeel van
het aantal huurwoningen is na 1994 wat gezakt tot minder dan 45% in 2009. De
totale woonquote lag in 2009 voor huurders op 37%, voor eigenaren op 26%
(inclusief bijkomende lasten als energiekosten en belastingen). De eigenaren
hadden gemiddeld een bijna twee maal zo hoog inkomen als de huurders. In 2009
was er in alle sectoren een tekort aan huurwoningen, in totaal ruim 200.000
(fig. 3.17), behalve bij de goedkoopste huurwoningen. Verwacht werd een toename
van de tekorten. De cijfers over aanbodstekorten in 2009 in de huursector
hoeven niet precies aan te sluiten op de huidige tekorten in 2012. De hier
aangehaalde aantallen zijn geaggregeerde grootheden van het land als geheel.
Plaatselijk zijn zowel de absolute aantallen als de percentuele afwijkingen
tussen aanbod en vraag uiteraard anders.
We willen hier echter
geen statistische studie uitvoeren naar tekorten en overschotten per regio of
gemeente, maar analyseren in hoeverre beleid kan bijdragen aan verminderen van
tekorten in de huursector van de woningmarkt.
Overgangsmaatregelen
De remedie voor schaarste
aan huurwoningen lijkt duidelijk. Een vrijlaten van huren en loslaten van de
bescherming van individuele huurders zal stellig het aanbod vergroten. Er
dreigt echter een ernstige schade te ontstaan voor vele huurders met een
beperkt inkomen, als de huursector in zijn geheel ineens vrij wordt gelaten.
Waarop berust het recht van huidige exploitanten van huurwoningen om plotseling
enorme extra inkomsten te verwerven in een situatie van schaarste? Die vraag
kan met extra kracht worden gesteld voor de woningcorporaties die hun
activiteiten (ex Woningwet) direct of indirect hebben gefinancierd met
overheidsgeld.
Er is dus een duidelijke
indicatie voor een overgangsregeling, waarbij bestaande huurders ontzien
worden. Voor nieuw te bouwen huurwoningen door anderen dan woningcorporaties
zou volledige contractvrijheid moeten worden ingesteld, evenals voor
koopwoningen die, al dan niet tijdelijk, voor verhuur worden ingezet.
Conclusie
Conclusie is dat de
huidige schaarste aan huurwoningen dient te worden aangepakt door een nieuw,
aanvullend beleid, dat marktgericht is. Er is alle reden om verhuur van nieuwe
woonruimte aan marktpartijen over te laten, zonder inmenging van overheidswege
in prijs en duur van de verhuur. Voor bestaande huurovereenkomsten is
overgangsrecht gewenst. Zodra evenwicht is bereikt tussen stichtingskosten en
huurniveaus kan het hele systeem van bescherming van huurders beperkt worden
tot een beperkte groep van economisch zwakke huurders. Voor hun huisvesting is
een blijvende taak weggelegd voor de woningcorporaties.
P.G. Dekker
Oosterbeek, maart 2012
Reacties
Een reactie posten