Haïti, magisch land
Haïti, magisch land
Aankomst
De eerste avond, voorjaar 1985, reden we over een kruispunt,
waar een klein, mooi afgewerkt doodskistje lag. Het was ongeveer 10 bij 30 cm.
groot, schat ik, en ook een kinderlijkje had er niet in gekund. Was het een
symbool voor Haïti? Zo maakte ik kennis
met de magie van het land.
De volgende dag bezochten we de naar riool stinkende haven
van Port-au-Prince. Daar was ons werk op gericht. Eigenlijk verwachtte ik
voornamelijk houten schepen op grond van een eerder rapport over de
ontwikkeling van de scheepvaart. Het eerste schip dat ik zag was een voormalige
Groningse coaster, de Mutua Fides, liggend op het slib van een ondiep stuk,
waarvan de roestige bodem zo’n beetje gerepareerd werd door hem te versterken
met een betonlaagje, wat me geen ideale oplossing leek. Het tweede schip was
ook al een coaster, uit Delfzijl. Dit lag aan de kade en had net lading gelost.
Drie zwarte Haïtianen waren bezig roest te bikken van de railing. Een Hollandse
matroos had het toezicht en deed niets anders dan vloeken en schelden. “Kun je
godverdomme niet eens wat opschieten gore zwarte klootzak? Hebben ze je hier
dan, godverdomme, nog nooit leren werken?” en andere zinnen van ongeveer
dezelfde grove inhoud en strekking kwamen in een ononderbroken scheldkanonnade
uit zijn mond. Het was werkelijk treurigmakend, maar het geheel speelde zich
twintig meter boven mijn hoofd af en ik kon er niets aan doen. Een lichte
troost was dat de Haïtianen stellig geen Nederlands kenden, maar de strekking
van de scheldpartij kon hun niet ontgaan.
Wat maakt mensen toch zo onaangenaam als ze de
onvoorwaardelijke macht hebben? Zo’n roestbikker was stellig gelukkig met zijn
tijdelijke baantje. Dat leverde een paar Gourdes op, waarmee hij zijn gezin
weer een aantal dagen in leven kon houden. Dan kun je dus niets meer
terugzeggen tegen zo’n onhebbelijke vlerk van een zeeman. Zelf schopte hij een
ezel ook vooruit als die naar zijn smaak wat te langzaam liep onder de vrijwel
niet te dragen lasten.
Voor mij was Haïti een verademing na een maandenlang
verblijf in Guyana, naast Suriname. Daar was op dat ogenblik niets meer te
krijgen dank zij het miserabele economische beleid van Burnham en zijn
zogenaamd coöperatieve republiek. Zelfs in mijn hotel Pegasus, het beste van
Georgetown, kreeg je geen brood en koffie meer, maar een of ander surrogaat.
Venezuela maakte in die tijd wat dreigbewegingen richting Guyana, en daar deed
de grap de ronde dat het Venezolaanse leger al met gejuich begroet was bij zijn
binnenkomst omdat het zakken met meel had meegenomen.
Haïti, het bergachtige eiland, werd zo door de Indianen
genoemd. Als republiek is het de westelijke helft van het eiland Hispaniola,
een van de Grote Antillen. Hier bleek alles voor de welvarende buitenlanders
heel wat beter te zijn dan in Guyana. Toch was het land werkelijk straatarm, en was het moeilijk om
niet elke bedelaar een dollar te geven. Ik kwam eerst in een merkwaardig hotel
terecht, Habitation Leclerc, waar voor elke gast tenminste vier personeelsleden
bijna hinderlijk bezig waren hem of haar met sappen, ijs en cola te overladen.
Het ontbijt omvatte direct al een vijftal verrukkelijke broodjes, waaronder de
beste croissants au beurre die ik in
mijn leven gehad heb, een pot buitengewoon goede, sterke koffie, beleg, roomboter
en vier soorten heerlijk vers fruit, waaronder een halve ananas. Het was niet
allemaal te verorberen, maar gelukkig was er een vrij grote ijskast op mijn
kamer.
Geen champagne voor Jan met de pet
Het is moeilijk te generaliseren als je het over ontwikkelingslanden
hebt. Maar één ding is zeker. In voormalige Britse koloniën heb ik altijd
makkelijk contact gekregen met mensen van de plaatselijke bevolking, van welke
kleur dan ook, maar het eten was meestal matig. In ex-Franse koloniën waren
alle mensen altijd betrekkelijk gereserveerd, maar culinair waren de
mogelijkheden steeds voortreffelijk. Zo waren er bij de hoofdstad van Haïti,
Port-au-Prince, meerdere Franse restaurants. En alsof het gisteren was herinner
ik me nog de verrukte uitroep van Franse kennissen daar, die zo buitengewoon
dol waren op de soesjes, de profiteroles
au chocolat, in het beste restaurant. De goede supermarkten hadden allemaal
meerdere soorten champagne en wel twintig soorten kaas in hun assortiment,
waaronder voornamelijk Franse maar ook Edammer en Goudse. Het winkelende
publiek bestond hier echter voornamelijk uit buitenlanders.
In de stad waren op sommige plaatsen ook wat eenvoudigere
eetcafés, zoals één met een aardig terrasje, waar ik op een gegeven moment een
club sandwich bestelde. Helemaal prettig
was het er niet omdat er voortdurend horden mensen vlak langs het terrasje
liepen, waarvan de helft je hongerig het brood de mond uitkeek. Toen mijn
broodje ook nog onsmakelijk was heb ik het maar weggegeven aan zo’n langskomende
hongeraar, die het met veel smaak in een paar happen opslokte. Eten weggooien
kon toch ook niet, alleen omdat ik een broodje minder lekker vond, zo
verdedigde ik mezelf tegen mijn onelegante gedrag. Met lange tanden opeten
tegen je zin is ook een zonde als er zes miljoen hongeraars op je broodje azen,
aangevreten of niet. De meeste horecagelegenheden waren gelukkig wat
afgeschermd van het publiek, zodat je er rustig je consumpties naar binnen kon
spelen. Alleen een tentje van een Franse dame in het centrum was helemaal open
met alleen maar terras. Daar was alles echt schoon en je kon er de heerlijkste
vers geperste sappen krijgen, met als absoluut hoogtepunt vers zuurzaksap. Ook
hier waren de klanten vrijwel allemaal blank. Jan met de pet had overigens geen
pet en helemaal niets van versiering. Het straatbeeld had als belangrijkste
bepalende element de tweewielige zware wagens op autobanden, waarop vrachtjes
werden vervoerd, voortgeduwd of getrokken door pezige jonge mannen.
Het bijzonderste hotel was dat van Oloffson, decor van The Comedians, roman van Graham Greene
en van de daarnaar gemaakte film met Richard Burton en Elisabeth Taylor.
Heerlijke dranken voor in de tropen altijd dorstige mensen en een zo bijzondere
omgeving met de meest exotische voorwerpen gesierd, dat je er elk jaar even
naartoe zou moeten vliegen. Dat is het aangename van de tropen: je hebt er
echte dorst die je dan verrukkelijk kunt lessen. En in een goed café zijn er
vele mogelijkheden om dat te doen. Toch was het niet overal en altijd zo
aangenaam in het horecawezen.. Ik herinner me nog een vegetarisch restaurantje
waar eigenlijk ook geen koffie kon worden geschonken omdat daar de opwekkende
coffeïne in zat. Sigaretten roken werd nauwelijks getolereerd, al waren ze nog
zo vegetarisch en drank werd ook niet geschonken. Alles was zeer principieel.
Een jong neefje van de eigenaresse was zo uit de brousse geplukt om de cultuur
van het bedienen in een restaurant te leren. Hij gaf me één keer iets aan van
links wat van rechts moest worden geserveerd, of andersom, en werd daarop zo
uitgescholden dat hij wel door de grond kon zakken. Ik moest denken aan de
scheldpartij van de Groningse matroos en ben er niet weer gekomen. Misschien
worden echt principiële mensen altijd wat doordraverig en belerend, zoals de
leden van de commune op het schip van De Waterman van Van Schendel. Ik zal
mezelf er ook nog eens goed op moeten onderzoeken.
Politiek en godsdienst
Als buitenlander moet je je niet met de plaatselijke
politiek bemoeien. In mijn jaar in Haïti was de heer Duvalier junior, Baby
Doc, aan het bewind. Dat werd door de
bevolking als een verademing gevoeld na het schrikbewind van Papa Doc (eerder
door Amerika in het zadel geholpen). Zoonlief deed niet veel kwaad had ik de
indruk uit gesprekken, terwijl van zijn vader werd gezegd dat hij een
Gestapo-achtig regime had, met zijn politie en de gevreesde geheime
doodseskaders, de Tontons macoutes.
Later werden ze VSN, Volontaires de la
sécurité nationale genoemd. Onbetaald en dus financieel afhankelijk van de
buit, geroofd van politieke tegenstanders. Nog later werden de leden opnieuw
georganiseerd onder het acroniem FRAPH, Front
pour l’avancement et le progrès d’Haïti. Ik heb nog vrij wat grote
spandoeken kunnen bewonderen met de tekst La
révolution Duvaliéresque a atteint des choses inaliénables pour le peuple.
Wat die onvervreemdbare dingen die de familie Duvalier had bereikt dan wel
mochten zijn moest iedereen maar als vanzelfsprekend begrijpen. In elk geval
schijnt de familie Duvalier nog honderden miljoenen dollars van de staatskas
mee naar Frankrijk genomen te hebben. Het land was bitter arm (ruim 7 miljoen
inwoners, BNP ca. 4 miljard USD, waarvan 10% overheidsbegroting) en een
paradijs voor ontwikkelingswerkers. Vooral die met een christelijke missie
konden zich hier goed uitleven.
De grote Toussaint Louverture heeft omstreeks 1800 de
revolutie geleid tegen Frankrijk. Toussaint Louverture is goed te vergelijken
met onze Willem de Zwijger en probeerde zich de Fransen zoveel mogelijk van het
lijf te houden door allianties aan te gaan met andere grootmachten in de buurt,
zoals de Britten. Hij was de eerste zwarte maréchal
de France, maar werd bij een bezoek aan Frankrijk, weinig collegiaal, door
Napoleon in een kerker gegooid om aan tbc te sterven. Sinds Louverture zijn er
veel en bloedige conflicten in Haïti geweest. Bij de meeste van die conflicten
probeerde de bovenlaag van iets lichter gekleurde Haïtianen zijn suprematie te
bevestigen of te versterken. Het recente conflict tussen Aristide en zijn
politieke tegenstanders zal stellig ook te maken hebben gehad met de macht om
gelden naar eigen bankrekening te sluizen.
Natuurlijk vraag je je als econoom af waarom zo’n land nu
zoveel armer moet zijn dan alle andere eilanden in de buurt. Waar het land arm
is moet je wel proberen om echt rijk te worden om je toekomst zeker te stellen.
En als dat laatste niet met geld kan, dan maar door een groot nageslacht. Dat
nageslacht werd overigens sterk uitgedund door de hoge kindersterfte: in het
eerste jaar zo’n 15% (tegen een half procent in ons eigen Nederland).
Zoals bij alle arme ontwikkelingslanden (wat een eufemisme
in dit geval) is het niet de bevolking die niet wil werken, maar de overheid
die de verkeerde prikkels afgeeft. In het geval van Haïti lijkt een gebrek aan
sociale mobiliteit met het bijbehorende smoren van initiatieven van onderen een
belangrijke oorzaak voor de armoede. Het buurland, de Dominicaanse republiek is
er heel wat minder beroerd aan toe en heeft zijn groen beter gehouden, waardoor
er veel minder erosie schijnt te zijn. Heeft het langdurige koloniale bewind
van Spanje het kappen van bos voor huishoudelijk gebruik daar beter
tegengehouden, vraag je je af. Haïti is zo extra arm, met een deel van de
bevolking die echt continu aan de rand van de hongerdood zit, zoals een arts
van het Rode Kruis me vertelde. Vergelijk dat nu eens met de zo veel
welvarendere andere eilanden in het Caraïbische gebied.
De langdurige soevereiniteit van ongeveer twee eeuwen heeft
het land in elk geval geen welvaart kunnen brengen. Veel delen zijn te droog om
het nodige eten te produceren en de mensen zijn te weinig ontwikkeld om
industriële bedrijvigheid echt van de grond te krijgen. Het land gaat gebukt
onder de ellende van de kleine hoeveelheden. Als je ziet dat een zeilbootje ter
grootte van een 16 m2 zeilbootje (vergrote BM) met drie man wat
takken brandhout en twee aan hun pootjes vastgebonden geiten van het eilandje
Gonave aanvoert, wat zeker een halve dag kost, dan begrijp je dat mensen arm
blijven. Small is ugly (deze kreet is
bewust gekozen om me af te zetten tegen de titel van het aardig geschreven,
destijds zeer populaire boek: Small is
Beautiful van E.F.Schumacher – Blond and Briggs, London, 1973). Wil je
mensen iets meer dan het absolute minimum laten verdienen dan moet de productie
een redelijke omvang en efficiëntie hebben.
Als je democratie ziet als een sterk individualistisch
systeem van machtsbepaling, waarbij er ruimte is voor beïnvloeding van
beslissingen door verschillende belangengroepen en waarbij de mogelijkheid
bestaat van een door de bevolking afgedwongen machtsverschuiving zonder fysiek
geweld, dan is Haïti niet toe aan dat systeem. Het is onvoldoende
individualistisch, te weinig ontwikkeld en te zeer gelovend in de machthebber,
of die plotseling juist volstrekt verachtend. Een min of meer stabiele
democratie is voorlopig dan ook niet haalbaar, lijkt me toe. In elk geval is
het de Amerikanen ondanks hun circa twintigjarige periode van bezetting
(1915-1934) niet gelukt om deze hier te vestigen. Ontwikkelingshulp, anders dan
noodhulp zal het land ook niet echt vooruit helpen, al zijn de wonderen de
wereld nog niet uit. Vertrouwen op eigen kracht is ook al wat moeilijk tegen de
achtergrond van het verleden.
Er is wel een begin van industrialisatie in Haïti, gebaseerd
op de uiterst lage lonen, en vooral door vreemdelingen op touw gezet. Als de
landbouw onmogelijk is en toch al onvoldoende voor ongeveer 7 miljoen mensen op
zo’n klein, gedeeltelijk bergachtig gebied dan moet je wel industrialiseren.
Voor toeristen is het land in elk geval werkelijk te arm om opgewekt vakantie
te kunnen houden.
De godsdienstige factor is niet helemaal gunstig voor het
bevorderen van rationele oplossingen. Bij een bezoek aan een klein industrieel
bedrijf ontstond er een kortsluitinkje met een paar vonken op een werkbank.
Direct vluchtten alle zeventig arbeiders naar buiten in zo’n paniek dat ze
elkaar bijna vertrapten. Het leek alsof de duivel ze achterna zat. De enige wat
verbaasd toekijkende blijvers waren drie Europeanen. De arbeiders hadden
kennelijk geen enkel inzicht in het verschil tussen ernstige brand en wat
vonkjes met een klein vlammetje. Missie en zending zijn wel uiterst actief,
maar kunnen de Voodoo niet echt verdrijven. Op een goede middag reed ik met een
Engelsman over een landweggetje en moest ik hem waarschuwen voor een paar in
een merkwaardig patroon neergelegde lege flessen op ons pad. Hij stapte uit,
schopte de flessen aan de kant en sloeg een kruis. “Michael, ben je ineens
Christelijk geworden, vroeg ik”. “Nee, maar dit was echt Voodoo, eigenlijk gaat
het daarbij alleen maar om poep en pis. Mensen geloven erin en je weet nooit of
iemand je ziet. Daarom moet je een kruis slaan als je iets van Voodoosymboliek
verstoort, om te tonen dat jouw god sterker is dan die van hen”.
In West-Afrika, in Bénin, is ergens een Centre national du Vaudouisme
gevestigd in een dorpje. Daar kon je ook een amulet kopen voor een fles
jenever. Voor twee flessen was de amulet extra krachtig. Hier, in Haïti, heb ik
nergens een dergelijke openlijke, haast officiële aankondiging gezien, maar de
Voodoo leefde hier nog sterker, leek het wel. Betrekkelijk kortgeleden is de
Voodoo bij presidentieel decreet (no. 1480) van 4 april 2003 nog officieel als
godsdienst erkend, als “essentieel samenstellend element van de natie, waarbij
de staat de verplichting heeft om dit culturele erfdeel te beschermen”.
Haïti het schilderachtige
Haïti is een mooi land met vele bergen. In de laagte kan het
gebrek aan begroeiing vreselijke overstromingen opleveren, zoals in sommige
wijken van Port-au-Prince. Na weer zo’n regenachtige nacht hoorde en las ik van
mensen die de hele nacht hadden moeten staan met water tot hun middel. Hoger in
de heuvels of bergen kon het koel zijn en van één pas werd gezegd dat je daar
een vrouw nodig had in plaats van een laken om je warm te houden. De pas zelf
werd daarom femmepasdrap genoemd.. De
bevolking had een groot gevoel voor humor om de ellende te vergeten en uitte
dat onder meer met aardige teksten op de mooist beschilderde busjes (tap-taps) voor het personenvervoer die
ik ooit heb gezien.
Naast, of eigenlijk boven de haven was een wat hoger gelegen
stuk weg, met ruimte aan de zeekant voor een muurtje, waar wel twintig mensen
schilderijen maakten voor de verkoop aan toeristen. Alles was primitief, dus
zonder perspectief geschilderd, een beetje à la Rousseau le douanier. Een enkel
schilderij had wel wat kwaliteit en op mijn verjaardag heb ik er nog een
gekregen van onze secretaresse, met veel tropische natuur en allerlei vruchten
aan de bomen. Merkwaardig genoeg leefde er kennelijk een sterke schildercultuur
op het eiland en ik heb ook een paar prachtige schilderijen gezien bij een
Griekse kennis in het land.
De sfeer op het eiland is buitengewoon tekenend weergegeven
in een heel bijzonder Haïtiaans boek, Jacmel
au crépuscule, (Jacmel - een stadje in het zuiden van Haïti - in de
schemering) geschreven door Jean Métellus (Gallimard, 1981, ook vertaald in het
Nederlands). Het toont hoe de grootste schoonheid gepaard kan gaan met de
bitterste armoede.
Als je uit het Noorden, vanuit de Verenigde Staten naar
Haïti vliegt dan zie je allerlei grotere en kleine eilanden met groenig blauwe
ondiepten temidden van de blauwe zee. En dan weet je: hier zijn we weer in het
Caraïbische gebied van zon, zee en strand en prachtige, spontaan klinkende
muziek. Van een doodskistje is niets te bespeuren.
Paul G. Dekker ©
Oosterbeek, 20 maart 2004
Reacties
Een reactie posten