Schuld en trauma

 

Schuld en trauma

Mijn psychiater haalt alle slechte dingen uit mijn leven boven. Wat er in mijn jeugd gebeurd is. Wat ik anderen heb aangedaan. Mijn slechtste bedoelingen. Moordzucht en agressie.

 

Op mijn zesde jaar heb ik gevist. Met een touwtje met een stuk regenworm aan een stok ving ik stekelbaarsjes. Wat een triomf toen ik zes stekelbaarsjes uit de sloot had opgehaald. Ik deed ze in een jampotje met water en nam mijn buit mee naar huis. We gingen eten en het werd donker. Wat moest ik eigenlijk met visjes? Terug in hun sloot was duidelijk. Dat moest dan maar de volgende morgen. Nu was het te laat. Al vroeg stond ik op en liep de tuin in om mijn vangst te bekijken. De zes visjes waren allemaal dood. Ze hadden de spanningen van de opsluiting, zo dicht op elkaar, niet overleefd.

 

Mijn vriend Pieter ten H. verweet me mijn visserij. “Of je eet ze op of je gooit ze direct terug in de sloot. Wie heeft er nu plezier van deze onnodige dood?” Hij had gelijk, vond ik. De stekelbaarsjes heb ik begraven. Ik heb nooit meer gevist.

 

Geregeld komt het gevoel van schuld voor andermans dood weer boven. Ik zie de sloot nog voor me en de visjes. Met welk recht heb ik die dood op mijn geweten. Heeft een stekelbaarsje minder recht op zijn leven dan, ja dan een mens? De Dalai Lama verplaatst zich af en toe bij zijn meditaties in een insect. Dat is het sympathieke van het Boeddhisme, dat het niet antropocentrisch is. Mijn psychiater vindt me overgevoelig. Het leven eist stevigheid.

 

Zo heb ik ook gejaagd. Met een katapult schoot ik een steentje op een mus. Ik dacht dat ik die nooit zou kunnen raken. Even fladderend viel hij dood naar beneden. Alweer een begrafenis. Heb ik het echt zelf gedaan? Of was het een vriend? Of heb ik de dood van de mus alleen in mijn fantasie beleefd? Het is te lang geleden om het zeker te weten. In elk geval heb ik nooit meer gejaagd. De schuld is aan mij blijven hangen.

 

Ik houd van de natuur, vooral van de duinen en de zee. Alleen de zilvermeeuwen zijn me niet sympathiek, sinds ik een met een jong eendje weg heb zien vliegen. Een paar jaar geleden liep ik aan het strand langs de zee en zag een zilvermeeuw vijftig meter van het strand in zee drijven. Een gemene rotmeeuw met een roofzuchtige blik. Ik zwaaide even met mijn armen en hij begreep dat ik het op hem had voorzien. Hij vloog op en landde weer een honderd meter verderop. Ik draafde achter hem aan. Toen ik dichterbij kwam vluchtte hij weer honderd meter verder langs de kust. Ik draafde weer achter hem aan en er was een magische band van haat en vrees tussen ons. Weer vluchtte hij honderd meter verder. Hij had makkelijk wat verder in zee kunnen gaan of gewoon terug kunnen vliegen. Maar zoals ik hijgend achter hem aan moest rennen, zo moest hij steeds maar langs de kust blijven vliegen. Allemaal dwangmatige handelingen.

 

Dat ging zo een kilometer door tot er plotseling een man opstond. Zo’n man die al vele dagen met zijn vriendin op het strand had liggen zonnebaden en door en door gebruind was. Een beetje rond, maar toch stevig. Vrij kort gebouwd, een pycnisch type zouden ze vroeger hebben gezegd. Hij stond op en plaatste zich voor me op mijn weg. Hij had me al lang gezien, zei hij. En of ik die meeuw maar even met rust wou laten. Ik gaf hem gelijk. Hij kwam op voor de zwakste. Wat had hij eigenlijk te maken met de relatie tussen de meeuw en mij? Tegelijk was zijn interventie me sympathiek. De bescherming van een vogel.

 

Mijn psychiater zei me dat ik al die herinneringen fantaseerde. De stekelbaarsjes zijn te duiden als mislukte seksuele belevingen. De dode mus is al heel duidelijk een beeld van een prematuur orgasme. Ik projecteerde de Gestapo man die mijn moeder ophaalde in die meeuw.

 

Dat laatste geloof ik wel een beetje. Mijn agressie tegen de Duitse nazi’s komt geregeld boven. In mijn fantasie mitrailleerde ik alle Duitse soldaten die met een kolonne optrokken naar Putten om de mannen naar een concentratiekamp te sturen. Die meeuw zou in mijn onderbewuste de personificatie van een vijand zijn geworden. De badgast die hem verdedigde was gefantaseerd en dat was eigenlijk mijn Überich, mijn geweten dat me van wraakacties afhield.

 

Mijn psychiater is een man op leeftijd, met grijzend haar. Een heel wijze man die ik moeilijk tegen kan spreken. Zijn collega’s vinden hem een klimaatfetisjist. Maakt dat hem minder geloofwaardig? Innerlijk twijfel ik toch wat aan zijn duidingen. Ben ik echt zo agressief dat ik zeemeeuwen voor Duitsers houd? Zijn al mijn belevenissen alleen maar fantasieën, veroorzaakt door seksueel tekort schieten en een slecht verwerkte bezettingstijd?

 

Nero M. Zwart

Oosterbeek, oktober 2020

Reacties