Wentelteefjes en armenjagers

 

Van wentelteefjes en armenjagers

 

In onze samenleving is het gebruikelijk om flink te werken om meer spulletjes te kunnen kopen. Wie geen werk heeft wordt met enige ergernis bekeken door zijn buren en kennissen.  Er zijn immers nog steeds vacatures. Het meest irritante vinden mensen een steuntrekker die ook nog wat klust en daarmee een hoger inkomen weet te krijgen dan zijn buren.

Daarom worden geregeld controles verscherpt en uitkeringen verlaagd. Zo gaat de zweep erover: gewerkt moet er worden. Al dat werken heeft onze samenleving heel wat computerspelletjes opgeleverd en andere vormen van tijdverdrijf. Die werkmoraal is in essentie niet zo gek. Iemand moet iets doen om ons eten op tafel te krijgen. Daarnaast heeft deze moraal iets dwaas in een tijd en een samenleving die van overbodigheden aan elkaar lijkt te hangen.

Maar we maken even een uitstapje naar gewonnen/verloren brood. Over wentelteefjes meldt Wikipedia, dat deze vroeger, toen eten nog niet werd weggegooid, werden bereid om oud brood weer smakelijk te maken. Pain perdu, zeggen de Fransen. French toast zeggen de Engelsen. In vroegere tijden, gooide men geen voedsel weg. Nu dus wel. Daar is dan ook niet helemaal aan te ontkomen, ondanks alle protesten van oorlogskinderen.

Ook overbodig veel eten is in wezen een (heel slechte) vorm van eten weggooien. Uiteindelijk is de hele natuur een vorm van weggooien, kun je zeggen. Ook humane mest werd vroeger niet weggegooid. Nu wel. Dat heeft ook zijn goede kanten, dat weggooien, omdat humane  mest eerder menselijke ziekten overbrengt dan de uitwerpselen van andere dieren. En wat is weggooien anders dan het terugbrengen in de kringloop van het leven? Het is als met water. Er gaat geen water teloor, door het na het gebruik als bad- of spoelwater naar het riool te leiden.

Armoede begint bepaald niet bij het maken en eten van wentelteefjes. Echte armoede is vreselijk. Geen eten hebben, geen warmte, geen kleding, geen medische verzorging. Hoe moet een maatschappij omgaan met armoede? Wat kun je en moet je eraan doen, zonder  de individuele vrijheid van de armen te beknotten?.Voor de tweede wereldoorlog mocht je niet zwerven zonder geld. Zwervers, zo werd verteld, moesten in elk geval één gulden kunnen tonen, om niet opgepakt te worden en naar Veenhuizen gestuurd. Daar in Drenthe werden ze aan het werk gezet om de woeste gronden te helpen ontginnen. Gehuisvest werden ze in gebouwen met onheilspellende namen als Ora et Labora: Bid en werk.

De burgerlijke en boerensamenleving had een hekel aan arme zwervers. Ze bedelden en soms stalen ze om in leven te blijven. Kortom, je moest ze kwijt. Na de tweede wereldoorlog werden ze als patiënten beschouwd en opgenomen in psychiatrische inrichtingen. Ook een manier om het straatbeeld netjes te houden. Op een gegeven moment veranderden de ideeën en vond men dat mensen de vrijheid moeten hebben om zelf te beslissen dat ze niet in een gewoon huis moeten wonen. Nu zijn ze vrij om te bedelen en in de open lucht te slapen en te sterven. Meestal krijgen ze echter geen bijstand als ze geen vaste woon- of verblijfplaats hebben. De samenleving koopt liever een schilderijtje van Mondriaan voor tachtig miljoen gulden dan dat geld te besteden voor een duizendtal eenvoudige kamertjes, waar de zwervers, met adres, uit de wind en de vorst kunnen liggen.

Nederland is dan nog gezegend met een laag aantal zwervers. In India is het aantal extreem armen heel wat hoger, zowel absoluut als relatief. Een kennis vroeg eens, wie die armen zou missen als er ineens honderd miljoen dood zouden gaan. Een onaardige vraag, maar goed om je te laten zien dat veel mensen geen bijdrage leveren aan het nationale inkomen. Vaak worden ze dan ook verjaagd, als ze door vloedgolven bedreigd hun heil op hogere gronden zoeken. Net zoals hongerige mensen nog steeds weggejaagd worden uit rijke landen. Dat zijn immers gelukzoekers oftewel economische vluchtelingen. Ja, we kunnen inderdaad niet de hele wereld in huis nemen, maar iets meer meegevoel zou ons niet slecht staan.

Ook gewone burgers moesten in de achttiende eeuw bij verhuizing naar een andere plaats veelal een zogenaamde Acte van indemniteit tonen, waarin de vorige gemeente of diaconie zich garant stelde voor het niet armlastig worden van de migrant. Arm zijn is voor iedereen blijkbaar altijd een bedreiging geweest.

Mogelijk zijn we niet zo veranderd sinds de zeventiende en achttiende eeuw. In Overijssel en Gelderland kwam toen een groot aantal zwervers uit Holland, om daar op het platteland wat voedsel te zoeken. De inwoners en dus ook de provincies en gemeenten vonden dat niet goed en stelden armenjagers aan om de arme drommels uit de gemeente en provincie te jagen. (zie bijv.: G.J. ter Kuile Jr.: Rechtspraak en bestuur in Overijssel, ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden, in VORG, Verslagen en mededelingen 68, pp. 69-71, 1953).

De gevoelens van de verjaagde zwervers worden niet in de annalen vermeld, maar ja, armenjagers hebben we nog steeds. Tot voor kort hadden we nog een minister als opperarmenjager, die voor de uitzetting zorgde van al die mensen die nu gelukzoekers worden genoemd. Gelukzoekers…. zijn wij dat niet allemaal?

Paul G. Dekker 

Oosterbeek, januari 2011

Reacties