D66, tweestromenland
D66, tweestromenland
Burgers bij het bestuur was
onze kreet. Bestuur bij de burgers werd daar door sommigen van gemaakt. Het is interessant
om te zien in hoeverre veel van onze partijgenoten een steeds meer
bestuurstechnisch standpunt zijn gaan innemen. Dat geldt voor de houding
tegenover alle overheden: rijk en vooral provincies, gemeenten en waterschappen.
Michael Portillo, een voormalige conservatieve minister onder premier Thatcher, verzorgde een uitzending voor de BBC op 20 maart 2010 over het onderwerp: Power to the People. Een interessante uitzending waarin hij zowel zijn voorkeuren als zijn twijfels toonde over verschillende vormen van democratie in directe, zowel als getrapte vorm. De centrale vraag daarbij was: hoe krijgen we weer aansluiting tussen de bevolking en de politici? Die vraag houdt vele politiek betrokkenen bezig, ook in ons land. De houding van politici tegenover bestuurlijke problemen is bijzonder belangrijk voor het weer krijgen van een echt mandaat. Dit geldt ook voor D66-ers. Daarom is het essentieel om de verschillende stromingen te kennen, ook binnen onze partij, en deze te analyseren. Of is een kritische analyse anathema in onze partij?
Eén stroming, die van bestuur bij de burgers, vindt het belangrijk dat de burgers het gevoel hebben de overheden te kennen en zich met de bestuurders te kunnen vereenzelvigen. We constateren dat in een aantal provincies de burgers de vlag en het provinciale volkslied kennen. De boeren kennen veelal de waterschappen en de bestuurders daarvan. Ze kennen de betekenis van hun werk en merken de gevolgen van het waterpeil aan hun bedrijfsresultaten. De gemeenten zijn algemeen bekend. Zij hebben de grootste invloed op het dagelijkse leven van burgers. Je moet er de geboorte van je kinderen aangeven, het overlijden van je ouders, kapvergunningen halen en vooral steeds meer betalen aan onroerendgoedbelasting en retributies.
Die eerste stroming, die van bestuur bij de burgers, wil dat de overheden er voor de burgers zijn: de politiebescherming moet voortreffelijk zijn, de gemeentehuizen zo toegankelijk mogelijk, de belastingen niet te hoog, de wegen en riolen in goede staat, het gemeentelijke apparaat toegankelijk en bereikbaar, bestemmingsplannen begrijpelijk en redelijk, kortom alle overheidsdiensten van hoge kwaliteit en betaalbaar.
De tweede stroming is modern, en meer technocratisch ingesteld. De aanhangers hiervan willen de gemeenten vergroten, de waterschappen afschaffen en de provincies samenvoegen tot grotere eenheden of ook afschaffen. Deze stroming bestaat vooral uit bestuurders met ervaring, bestuurders die het bestuurlijke landschap beter overzien dan gewone burgers. Zij willen het gezag centraliseren en moderniseren. Zij staan achter samenvoeging van gemeenten, ook als de inwoners daar niet voor voelen, omdat de grotere gemeenten overzichtelijker zijn, hogere salarissen betalen en daardoor geacht worden betere ambtenaren aan te kunnen trekken. Mogelijk is deze stroming meer van deze tijd. Wij allen geloven immers steeds meer in grotere eenheden: grotere ziekenhuizen, grotere overheden, grotere concerns, grotere banken, grotere landen, een groter Europa.
Helaas is het effect van deze schaalvergroting vaak niet onverdeeld gunstig. We kennen de samengevoegde gemeenten die nieuwe gemeentehuizen bouwen voor tientallen miljoenen, terwijl de deelgemeenten gauw hun geld op hebben gemaakt, omdat het anders toch maar in de grote pot zou verdwijnen. Burgers zijn vaak teleurgesteld, omdat de politiepost in hun dorp opgeheven is, omdat de politie bij misdrijven aanrijtijden van uren tot dagen heeft, omdat het nieuwe gemeentekantoor tien kilometer verder weg ligt, omdat ze niet meer weten tot wie zich te wenden met klachten, waar overigens toch niet naar geluisterd wordt……
En de provincie, ach wat heb je daarmee te maken als gewone burger? De provincies zijn onze eeuwen oude, in de tijd van de republiek nog soevereine overheden, maar hun functies zijn in belangrijke mate uitgehold. Het is de onderbelichte verdienste geweest van de Commissie Geelhoed, dat zij in haar rapport liet zien hoezeer de nationale overheid aan deze uitholling van functies heeft meegewerkt en hoeveel kansen de rijksoverheid liet liggen om deze lagere overheid haar passende, regionale taken te laten houden of te geven, zoals bij de reorganisatie van de politie (Op schaal gewogen, regionaal bestuur in Nederland in de 21ste eeuw, Inter Provinciaal Overleg, Den Haag, 2002 blz. 43, 47 en 59). Merkwaardig genoeg, maar passend bij onze tijd, trok diezelfde commissie niet de voor de hand liggende conclusie, te adviseren om de provincies de hun passende functies terug te geven, maar wou ze de provincies op een onevenwichtige manier samenvoegen, eigenlijk alleen om de fileproblematiek op te lossen. Die fileproblemen hebben overigens vooral betrekking op rijkswegen… Klaartje Peters heeft met haar onderzoek (Het opgeblazen bestuur, Boom, Amsterdam, 2007) laten zien dat de provincies vaak slecht hebben gereageerd op het afpakken van hun normale taken en dat de ingezetenen zich in veel provincies niet vereenzelvigen met hun provincie. Haar onderzoek is echter voornamelijk beschrijvend en niet normerend. Als je echt wilt dat de democratie functioneert en dat burgers zich ook met hun provincie kunnen identificeren dan zul je die bestuurslaag niet steeds van functie en omvang moeten laten veranderen. Het “provincialisme” van burgers is werkelijk nog niet verdwenen, getuige hun identificatie met de plaatselijke voetbalclub.
De waterschappen hebben een belangrijke taak en zijn de oudste overheden in ons land. Ze vormen de basis van onze democratie. Dat wordt algemeen erkend, maar de nieuwe vorm van bestuursverkiezing, waarbij elke burger bij de ingelanden werd gerekend, vervreemdde meer dan rechten te geven. Toch hebben deze doelcorporaties niet een zo vreemde vorm, doordat de belangrijkste overheidstaak in ons land, die van de strijd tegen het water, in financieel opzicht niet vermengd wordt met mogelijke andere politieke keuzes. Elders zien we vaak de belangstelling voor het onderhoud van de infrastructuur wijken voor meer modieuze nieuwe activiteiten. De waterschappen hebben met hun voorrang voor waterbeheerstaken iets gemeen met bewerktuigde onderhoudsfondsen. De vele fusies hebben ze echter verder van de traditionele ingelanden verwijderd.
Bestuur bij de burgers betekent een open gemeentehuis, waar je je zaken af kunt doen zolang er nog een ambtenaar aanwezig is. Bestuur bij de burgers betekent minimale wachttijden bij de loketten, lage overheidskosten door zuinige overheden. Bestuur bij de burgers betekent dat zowel de volksvertegenwoordigers als de ambtenaren zich in dienst voelen van de burgers, in plaats van de boven hen gestelde overheid. Een eenvoudig voorbeeld is behoefte aan extra parkeerruimte. Moet de overheid dan ook extra ruimte geven of gewoon een parkeerverbod instellen? Als beide mogelijkheden er zijn, wat is dan het beste tegenover de burgers?
Moet het bestuur luisteren naar de behoeften van de burgers, of maatregelen nemen vanuit bestuurlijke modellen en protocollen? Wat te doen met bewoning van vakantiehuizen, die zonder bezwaar voor de omgeving bewoond kunnen worden? Moet hier de eens bepaalde bestemming van recreatiewoning prevaleren, of de wens van de eigenaren die het pand intensiever willen gebruiken? De technocratische bestuurder zegt, dat er niet voor niets een bestemmingsplan ligt en dat de bouwers en exploitanten of bewoners dat ook wisten. De stroming van bestuur bij de burgers wil de voorkeur van de bewoners laten voorgaan. Eventuele schade aan de natuur is meestal al geschied door de bouw. De liberale democraat acht het belang van de samenleving bij het naleven van de officiële bestemming ondergeschikt aan de voorkeur van de bewoners. Hij ergert zich aan alle regels die de individuele vrijheid onnodig beperken.
Een D66 raadslid maakte een politiek punt van een paaltje dat de gemeente voor een inrit had geplaatst om te voorkomen dat de bewoner zijn auto in zijn tuin zou zetten. Verkeerstechnisch en esthetisch was dat parkeren op de inrit geen probleem, maar de gemeentelijke regels maakten het plaatsen van een paaltje mogelijk. Het kostte een jaar om het paaltje te laten verwijderen (door het linkse college en zijn ambtenaren). Was de hinder van zo’n paaltje de commotie waard? Of is het onzin om zo’n paaltje tot metafoor te maken van een hinderlijke overheid? In een andere stad maakte de raad en met name de PvdA het onmogelijk om een juwelierswinkel goed te beveiligen tegen ramkraken, onder het motto: dan had deze ondernemer maar geen juwelier moeten worden. Is zo’n houding terecht tegenover een maatschappelijk geaccepteerd beroep? Moet de overheid ondernemers steunen of moeten ze zichzelf maar redden? Voor D66-ers rijst de vraag hoe liberaal ze eigenlijk moeten zijn en hoe sociaal en voor wie. Voor een partij die als enig dogma het pragma kent zijn zulke gewetensvragen niet zo makkelijk te beantwoorden, noch op landelijk, noch op plaatselijk niveau. Men bedenke dat populisme een zoeken van steun bij het volk betekent (Caesar en Grachus), terwijl de democraat zelfs de macht aan het volk wil geven!
En Europa dan? Na de ernstige Griekse monetaire problemen wordt in de media gezinspeeld op het mogelijke uiteenvallen van de Eurozone. Een eventuele verdere uitbreiding van de Europese Unie zal dus wel extra voorzichtig behandeld worden. De Euromanie lijkt haar langste tijd gehad te hebben. De vraag is nu of tweestromenland weer een éénstroomsland kan worden en of burgers bij het bestuur ook vertaald zal worden in bestuur bij de burgers.
Oosterbeek, maart 2010
Reacties
Een reactie posten