Sla geen paarden, Voltaire, Bentham en Singer
Sla geen paarden; inquisitie, geo- en
antropocentrische ideeën:
van Ptolemaeus tot Voltaire, Bentham en
Singer
Mogen we een paard harder slaan dan een
mens? Lijdt het paard daar minder onder, of is het lijden van een paard minder
belangrijk dan dat van een mens? En hoe vergelijkbaar is dan het lijden van
verschillende mensen, in verschillende tijden, landen en van uiteenlopende
rassen? Moeten we daarop antwoorden vanuit het gezichtspunt van de mens of in
het licht der eeuwigheid (sub specie aeternitatis)? Vragen waar iets meer
antwoorden op gegeven kunnen worden dan veel mensen denken. Er is zelfs al heel
lang op een zinnige manier over nagedacht en geschreven door vrij wat mensen.
Ik wil op mijn eigen manier een poging doen tot formulering van een antwoord.
Het lijden van mensen en andere dieren
Er is een merkwaardig idee dat er een scherpe scheiding te
maken valt tussen mensen en dieren: dieren zouden samen één grote categorie vormen en mensen
een andere. Dat is een verouderd standpunt, net zoals de vraag naar het
verschil tussen leven en dood verouderd is, getuige de reanimatie van mensen
waarvan het hart gestopt is. Het standpunt is verouderd omdat er te veel
informatie verzameld is over gevoelens van mensen en andere dieren. Daarnaast
is er ook te veel bekend geworden over de somatische, fysiologische
(chemisch-fysische) achtergrond van o.a. menselijke gevoelens als welbehagen,
hechting aan ouders, partners en andere soortgenoten. Recentelijk is daar dan
nog de kennis bijgekomen over gelijkenis van het DNA van verschillende
diersoorten, waarbij bijvoorbeeld dat van de mens en dat van de chimpansee erg
veel gemeenschappelijk zouden blijken te hebben. Ook het onderscheid tussen
planten en dieren ligt niet zo scherp als vroeger gedacht, denk aan vleesetende
planten als zonnedauw, bacteriën en virussen. Net als dieren hebben ook planten
hun individuele DNA.
Mensen en mensapen staan qua genetische eigenschappen,
denkvermogen en gebruik van instrumenten zeer dicht bij elkaar. Andere
zoogdieren staan iets verder weg, maar hoeven nog niet dommer of minder
gevoelig te zijn. Zo zijn er biologen die denken dat dolfijnen intelligenter
moeten zijn dan mensen vanwege hun relatief grotere hersengewicht en de grotere
hoeveelheid windingen in hun hersens. Ik heb daar geen eigen oordeel over en ik
voel me ook niet bedreigd door de gedachte dat een ander dier slimmer zou zijn
dan de mens. Er zijn zoveel verschillende hersenfuncties en sommige dieren zijn
sterker in de ene functie, andere in een andere: zo kunnen varkens en honden
beter ruiken dan wij, en kan een havik beter zien. Waarom zouden wij in onze
menselijke achterstand iets griezeligs of onacceptabels moeten zien?
Chimpansees kunnen (leren) spreken, weliswaar niet met soortgelijke klanken als
wij, maar wel met de doofstommenspraak. Dat is een interessant verschijnsel,
maar maakt hen niet beter dan ze zijn, ons niet minder goed. Wij lijken beter
oorlog te kunnen voeren, maar ook andere dieren (bijv. ratten en chimpansees)
vernietigen elkaar binnen en buiten eigen soortgrenzen. Wij kunnen over de
grenzen van onze eigen soort meegevoel hebben met andere dieren, maar dat komt
ook bij andere dieren voor. Bijvoorbeeld bij gorilla’s, honden en nijlpaarden.
Als we onze vooroordelen opzij zetten en eens even niet de
menselijke gevoelens als vanzelfsprekend de belangrijkste voorop stellen, dan
ligt het helemaal niet meer zo voor de hand om te denken dat het lijden van een
hond minder intens is dan dat van een mens. En wat voor onze honden geldt valt
makkelijk te extrapoleren tot andere zoogdieren. Daarmee wil ik niet beweren
dat er geen enkel verschil zou zijn tussen verschillende zoogdieren. Ook tussen
verschillende mensen is er verschil: wie
lichamelijk werk doet is wat minder bang voor een stootje dan de bureauzitter, en
tandartsen hebben mij verteld liever een boer als patiënt te hebben dan een
kleinzerige intellectueel. Ethologen kunnen iets meer zeggen met betrekking tot
een vergelijking van ervaringen van verschillende diersoorten. Mogelijk zou te
verdedigen zijn dat paarden als paniekdieren meer lijden onder mishandeling dan
runderen of mensachtigen.
Door dergelijke vergelijkingen
komen we bij specifieke eigenschappen van verschillende diersoorten, en
eventueel - binnen elke diersoort - van individuen terecht. En die soort- of
persoonseigenschappen vormen nu precies de maatstaf waar we mee moeten werken
om tot een ethisch oordeel over mishandeling, (doen lijden) te komen. De vraag
dient niet te zijn in hoeverre een ander dier op een mens lijkt, maar in
hoeverre het een bepaalde behandeling als lijden ervaart. Daarbij zijn op het
eerste gezicht de verschillen tussen uiteenlopende zoogdieren heel wat geringer
dan die tussen alle zoogdieren enerzijds, insecten en bacteriën anderzijds. Een
cesuur tussen mensen en andere dieren is in elk geval niet te handhaven en een
muis staat stellig in zijn lijden en angsten heel wat dichter bij òns dan bij
een oester. De verschillen tussen de zenuwstelsels van muis en oester zijn
immers aanzienlijk. Het is dan ook niet voor niets, dat geneesmiddelen voor mensen beproefd worden op
ratten, muizen en andere zoogdieren en niet op weekdieren. Vissen staan dan wat
dichter bij ons, maar schijnen andere typen hersenen te hebben, en verwerken de
hun aangedane schade dus vast anders dan zoogdieren. Insecten hebben als
verdediging van hun soort de geweldige voortplantingssnelheid, waardoor ze
minder behoefte hebben aan een individuele verdediging waarvoor de pijn zo’n
belangrijke rol speelt. Mogelijk hebben ze daardoor minder individuele verdedigingsmechanismen.
Wereldbeschouwing: geocentrisme en antropocentrisme of speciesisme
Het is nog maar zo’n vierhonderd jaar geleden dat Galileo
Galilei het vele eeuwen gekoesterde geocentrische wereldbeeld verwierp van de
Griek Claudius Ptolemaeus (2e eeuw voor Chr., die de aarde als
middelpunt van het universum zag) en in de richting ging van een heliocentrisch
wereldbeeld, zoals eerder geformuleerd door de Poolse astronoom Nicolaus
Copernicus (1473-1543). Galilei was zo verstandig zich niet door de inquisitie
te laten verbranden voor zijn goede gedachten. Na bezwaren van de kerk
accepteerde hij het om zijn ideeën in het openbaar te herroepen (1633). Wie wil
nu nog volhouden dat onze aarde het centrum van het universum is en dat de zon
om de aarde draait? Verkondiging van dit soort ideeën vormt in elk geval niet
de handigste manier om het respect van ontwikkelde medemensen te krijgen.
Geocentrisme en antropocentrisme zijn verwante manieren van
denken. Het antropocentrische wereldbeeld is echter nog lang niet algemeen
verlaten. Het is te aangenaam voor ons mensen en te gebruikelijk om te denken
dat mensen ver boven alle andere wezens staan. Alle waarnemingen die in een andere richting
wijzen kunnen daarom beter ogenblikkelijk verworpen worden. (zie bijv. Histoire
de l’anthropocentrisme en Les cahiers antispécistes).
De overeenkomst tussen andere dieren en mensen is overigens
nog niet zo lang geleden veel vanzelfsprekender geweest dan nu. Soms leidde dat
tot nare gevolgen, zoals bij het varken in het Rijnland dat in 1456 berecht en
tot de brandstapel werd veroordeeld wegens het doden en opeten van een kind
(D.P. Mannix, The History of Torture, Dell, New York, 1964, p.88). Ook de bekende zondebok die in het Oude
Testament met onze zonden beladen de woestijn ingestuurd werd om daar met
zonden en al jammerlijk om te komen is niet een mij sympathieke toepassing van
het zien van gelijkenis. Recentelijk is een heel boek over straffen van andere
dieren opnieuw uitgegeven (E.P. Evans, The Criminal Prosecution and Capital
Punishment of Animals, New York, Dutton, 1906, herdrukt in 1998, The Lawbook
Exchange).
Het antropomorfe denken over andere dieren, zoals
bijvoorbeeld in de Middeleeuwen, heeft erg negatieve kanten gehad, maar toont
tegelijk een zekere waardering voor de persoonlijkheid van dieren. Dat is in
het denken over proefdieren en landbouwhuisdieren (Nutztiere in het Duits) bij de meeste mensen totaal verdwenen, net
als bij de nazi-houding tegenover “Untermenschen”.
Een bekende Britse filosoof uit de 19e eeuw,
Jeremy Bentham (1748-1832), wordt in de moderne literatuur geregeld aangehaald
met zijn formulering, dat het niet gaat om de vraag of andere wezens kunnen
redeneren of praten, maar alleen om de vraag of ze kunnen lijden. Wie
bijvoorbeeld ezels heeft zien mishandelen en de pijn en paniek in hun ogen en
gedrag heeft gezien vraagt zich niet meer af of een etholoog met een Nobelprijs
dat ook heeft gezien en als lijden heeft geïnterpreteerd. Er is echter een
wezenlijk verschil tussen mensen met fantasie die zich ook in het gevoel van
andere dieren kunnen verplaatsen en mensen die dat niet kunnen of willen. Het
schijnt mij dat dit onvermogen tot empathie grotendeels voortvloeit uit
conventionaliteit en een daaruit voortkomende blokkade voor anders denken dan de
meerderheid van de mensen. Daarbij kan men ook door al dan niet geldelijke
belangen worden gedreven. “Spreek me niet van mishandeling als ik net zit te
genieten van mijn ganzenlever”, zegt de ongevoelige lekkerbek. Eigenbelang
speelt ook duidelijk een rol bij de geschriften van anti-dierenrechten
schrijvers als de Belgische bonthandelaar Christian Parmentier die stelt dat
dierenrechten de mens bedreigen. (Hoeveel gewicht moeten we aan ons belang in
dezen geven?)
Het is begrijpelijk dat Charles Darwin geen fundamenteel
verschil zag tussen mensen en de hogere zoogdieren. Bij een wat afstandelijke
beschouwing van evolutionaire ontwikkelingen ben je gedwongen zelfs een
vraagteken bij dat “hogere” te zetten. De formulering van de Franse denker en
schrijver Voltaire (18e eeuw) in zijn Traité sur la tolérance spreekt mij sterk aan: “Mensen moeten naar
mijn idee wel alle natuurlijke intelligentie overboord hebben gezet om te
durven beweren dat dieren slechts een soort machines zijn…. Bovendien kunnen
zulke mensen nooit aandachtig de aard van dieren hebben waargenomen en hun
verschillende uitingen van behoeften, vreugde, pijn, liefde, woede en hun
sympathieën. Het zou wel bijzonder vreemd zijn dat ze zo goed kunnen uitdrukken
wat ze niet kunnen voelen”. Beter kan het nauwelijks worden gezegd.
Andere schrijvers, zoals de nu levende Australische filosoof
Peter Singer (hoogleraar in bio-ethiek
aan de Princeton Universiteit in de V.S.) hebben verwante gedachten, soms
verder uitgewerkt. Alle argumenten, zegt Singer, ter staving van de menselijke
superioriteit kunnen niet het harde feit teniet doen dat dieren onze gelijken zijn
in lijden, zegt hij. Ook wijst hij op de vroegere (alleen vròeger
bestaande??-P.D.) ideeën dat mensen van andere stammen mochten worden beroofd
en vermoord (bij de nazi’s leefden deze ideeën nog volledig –P.D.) en
verhandeld…. getuige de slavernij, de behandeling van de Australische
oorspronkelijke bevolking ... Na het overboord zetten van de stamgerichte en de
racistische moraal zijn we nu toe aan het verwerpen van de soortgerichte, de
speciesistische ethiek, aldus Singer. (overgenomen uit: Animal Rights Quotes, van Speak Out for Animals, op
Internet)
Verschillende godsdiensten hebben verschillende
voedseltaboes. Bij het Boeddhisme behoort eerbied voor eigen geest en lichaam,
niet doden en eten van dieren. Ook bij het Hindoeisme met zijn reïncarnatieleer
past respect voor dieren. Met name de hoogste kaste der Brahmanen leeft
vegetarisch. Het Joodse geloof heeft
zeer strenge voedselwetten met de nodige taboes, waaronder dat van het
consumeren van bloed. Het laatste geldt ook voor de Islamieten. Bij beide
godsdiensten staat respect voor leven en welzijn van andere dieren echter niet
voorop. Varkensvlees wordt dan wel niet gegeten, maar absoluut niet uit respect
voor het varken, maar vanwege zijn veronderstelde onreinheid. Ook het
Christendom met zijn Joodse achtergrond toont weinig interesse voor andere
dieren en is sterk antropocentrisch. Franciscus van Assisi is met zijn
dierenliefde een uitzonderlijke figuur. Voor Chinezen gelden bij mijn weten
maar weinig voedseltaboes. Ook honden worden door hen met veel genoegen
gegeten. (zie Voedsel en Religie van Ralf Hartemink, Universiteit Wageningen – www.voedsel.net). Dat er aan Princeton een
hoogleraar Bio-ethiek is en aan de Utrechtse Universiteit een hoogleraar Dier
en Recht, evenals recentelijk de opkomst van de Partij voor de dieren, toont
dat onze samenleving nu een zekere belangstelling heeft voor de positie van
andere dieren en voor gedragsregels voor de mens tegenover hen.
Criteria
Argumenten die we tegenkomen om geen aandacht aan gevoelens
van andere dieren te schenken zijn bijvoorbeeld: een paard voelt de slagen, de
honger, de dorst, enz. niet als wij. Het reageert alleen maar instinctief. Dit
soort idee lijkt mij sinds Voltaire, Lorenz en Frisch (de laatste twee met Nico
Tinbergen grondleggers van de gedragsleer/ethologie) verouderd en achterhaald
door een betere waarneming van gevoelens van andere dieren. Het idee is verwant
aan soortgelijke opmerkingen over de gevoelens van slaven in voorbije tijden.
Een ander criterium is dat van de intelligentie: hoe dommer
het dier, hoe minder erg het is om het te slaan of te beschieten. Daartegenover
past de overweging dat we domme mensen niet méér mogen slaan dan intelligente
mensen. De mate van lijden hoeft immers niet aan intelligentie gecorreleerd te
zijn. Intelligentie van een dier lijkt mij (net als Bentham en Singer) dus niet
relevant. Dit standpunt is anders dan dat van Kousbroek en anderen die gesteld
hebben dat varkens vanwege hun intelligentie niet geslacht en gegeten zouden
mogen worden.
Ook wordt wild tegenover gekweekt wel als criterium
gebezigd. Het leven van wilde dieren
zouden we niet mogen storen, met zelf gekweekte dieren mogen we vrijwel alles
doen. Deze gedachtengang is niet te handhaven bij afweging van het vermogen tot
lijden. Een individu voelt pijn niet anders doordat een mens een rol heeft
gespeeld bij de voortplantingskeuze. Zomin als een kind van een slaaf een ander
vermogen tot lijden had dan een vrij geborene. Er is dus geen reden om zogenaamde
landbouwhuisdieren met minder consideratie te behandelen dan hun wilde
soortgenoten of om minder meegevoel te hebben met een laboratoriumhond dan met
uw eigen hond, terwijl het varken evenveel meegevoel verdient als de zeehond.
Natuurlijk geldt die eis van consideratie ook voor zogenaamde plaagdieren als
ratten, muizen, wolven, wasberen en mensen. Dat er voor ons teveel exemplaren
van deze soorten zijn is geen reden om ze op afschuwelijke wijze te
vernietigen.
In dit verband past een enkele opmerking over het mechanisme
van transsubstantiatie. Voor de vleeseter verandert het prooidier na het
slachten, en voor velen ook al daarvóór, van een medewezen met eigen gevoelens
en emoties tot een stuk eten. De exploitant ziet ze nog sneller als winstobject
of bestaansbron voor zichzelf, mede daartoe gebracht door zijn samenleving.
Daarnaast is er de magische betekenis die aan vlees wordt toegekend als eten:
vlees is kracht. In dat opzicht is er overigens weinig onderscheid met
kannibalisme/antropofagie en deovorie.
Omvang is een ander gebruikt criterium. Het doodschieten van
een olifant zou veel erger zijn dan het doden van een muis. Een retorische
vraag past hier: mogen we dan naar analogie ook kleine mensen eerder opofferen
dan grote? De Joodse Raden in Nederland hebben dergelijke vragen moeten
beantwoorden tijdens de Duitse bezetting. De hoogleraren en andere
vooraanstaande mensen werden langer gespaard dan eenvoudige
sinaasappelverkopers, tot kritiek van de Nederlandse samenleving achteraf. Ook
Stalin schijnt, bij de bedreiging van Moskou door de Duitsers tijdens de tweede
wereldoorlog, de belangrijkste ingenieurs, wetenschapsmensen, organisatoren en
schakers uit Moskou in veiligheid te hebben gestuurd, vanwege hun belang voor
het land. Ik heb nooit iets van kritiek daarop gelezen.
Weer een ander criterium is het bestand. Vooral jagers
houden van deze term. Het bestand moet gezond worden gehouden. Overmatige
aantallen individuen van een soort moeten worden afgeschoten. Wie naar het
individu kijkt kan geen sympathie hebben met deze redenering, al is die vanuit
het gezichtspunt van natuurbeheer goed te verdedigen. De tegenstelling tussen
milieudenken en het denken vanuit de individuele behoeften van andere dieren
wordt zelden expliciet genoemd.
Ook bij mensen wordt er overigens vaak op bestandachtige
wijze gedacht: zo wordt het vermoorden van één miljoen mensen als zgn. genocide
erger geacht wanneer het gericht is op het uitroeien van een subsoort, zeg van
Armeniërs of Roma, dan wanneer er een betrekkelijk willekeurige even grote
groep mensen in de Goelag archipel wordt vermoord. Persoonlijk zie ik die term
genocide als extra veroordelende term niet zitten en acht ik het vermoorden van
één miljoen mensen ook één miljoen maal zo erg als dat van één mens, onafhankelijk
van zijn groep, Armeniër, Nederlander, Cambodjaan, Chinees, Surinamer, Indiaan,
Jood, Roma, blanke of zwarte.
Hoe zit het dan met het doden van andere dieren? “We hebben
het altijd al gedaan. Andere dieren doen het toch ook. Het is de natuur en wij
zijn alleseters”. Dat is allemaal waar. Het leven is niet zo erg heilig en
zeker dat van anderen niet. Zo hebben we (o.a. de kerk) ook al heel lang de
tortuur gebruikt voor het verkrijgen van bekentenissen van politieke
tegenstanders en ketters. Moord en doodslag op mensen is door de eeuwen heen
geaccepteerd, mits gesanctioneerd door de autoriteiten. Kerk en staat zijn dan
ook geen goede leidslieden op dit morele terrein. (God, Vaderland en Oranje, ’t
is moord, uitbuiting en wat franje, plachten soldaten vroeger te zeggen).
Naar een nieuwe moraal
Ik zou voor willen stellen dat we bovenal elkaars leven en
dat van andere dieren zo min mogelijk tot een lijdensweg maken en dat we
daartoe bij het mogelijk toebrengen van leed aan anderen met name kijken naar
wat het slachtoffer als lijden ervaart. Wie enige fantasie, gehoor en
inlevingsvermogen heeft denkt niet dat een varken, paard, muis, gans, walvis of
mens geen leed ondervindt van een onnatuurlijk leven in piepkleine celletjes,
van een castratie zonder verdoving, van volproppen met voer en zout water om de
lever ziek en groot te maken (voor paté de foie gras), of van het beschieten
met een harpoen met explosieven. Liever alle walvissen in één keer dood dan nog
eens honderd jaar de mishandeling van duizenden walvissen per jaar, zou je uit
moreel oogpunt zeggen. En bedenk wel dat het recht om niet mishandeld te worden
er niet alleen voor aardige dieren zou horen te zijn. Net zomin als
mensenrechten er alleen voor aardige mensen zijn. (Het laatste heeft Prof. Belinfante
na de tweede wereldoorlog terecht eens opgemerkt).
Mogen we ons dan niet verdedigen tegen aanvallen van andere
dieren op ons voortbestaan? Ik zou zeggen van wel, niet omdat we beter zouden
zijn dan andere dieren, maar omdat ook wij onze rechten hebben en in de eerste
plaats verantwoordelijk zijn voor ons eigen leven. De verdediging van ons eigen
belang hoort wel te worden uitgevoerd binnen de perken van het fatsoen, en met
een eerlijk pogen om het leed van andere dieren te minimaliseren.
De kern van de zaak
Bij het vergelijken van het lijden van mensen en andere
dieren zouden we ons moeten laten leiden door de mate waarin het slachtoffer
lijdt en niet door de soort van het slachtoffer. De bestaande cesuur tussen
mensen en andere dieren is biologisch gezien onlogisch en niet te handhaven.
Wij denken nog steeds erg soortgericht (speciecentrisch, in ons geval
antropocentrisch). Dat is in wezen onlogisch voor mensen die het geocentrische
wereldbeeld allang hebben verlaten.
Ideeën, dat andere dieren geen (pijn)gevoelens van een aan
de onze verwante aard zouden hebben, zijn zowel ethologisch als fysiologisch
achterhaald. Vele criteria voor ons gedrag tegenover andere dieren deugen niet,
zoals dat van al dan niet geringere intelligentie, gekweekt tegenover wild,
omvang van het prooidier, gezond houden van het bestand. Met Bentham pleiten we
voor een eenvoudige, nieuwe moraal die inhoudt dat we het leven van andere
dieren niet tot een lijdensweg moeten maken. Dat is een op individuen en niet
op het milieu of soorten gerichte moraal.
Anderen hebben er in de geschiedenis van de mensheid net zo
over gedacht en iedereen zou er zo over kunnen denken.
Paul G. Dekker, Oosterbeek,
januari 2001
paar kleine correcties aug. 2005, mrt 2007,
sept 2013.
pd2000/stkethk.d00/2944
ww
Reacties
Een reactie posten