Terschelling, terug

 

Terug naar het arme en rijke Terschelling

Denkend aan Terschelling warrelen duizend associaties in me op. Als kind van vier ging ik voor het eerst naar Vlieland en het jaar daarop naar Terschelling. Voor Vlieland moest je midden op zee overstappen op het schip de Stortemelk. Ik was bang voor de stoomfluit die het vertrek aankondigde en heb eenmaal mijn lip gemeen gestoten aan een koffer op de Stortemelk. Lipje, lipje, klaagde het kind nog een uur. Ik heb er nu nog medelijden mee, maar mijn ouders maanden me tot flink zijn. In de oorlog had ik geregeld heimwee naar Terschelling.

De afgelopen zeventig jaar ben ik dan ook zowat elk jaar, behalve tijdens de oorlog, toen het niet kon, tenminste één keer voor een paar weken naar Terschelling en Vlieland geweest. Sommige jaren ook naar Texel, Ameland en, als Groninger, vaak naar Schiermonnikoog. Eénmaal had ik zelfs het voorrecht naar Rottumeroog te mogen gaan. De Razende Bol, de Griend en Rottumerplaat zullen me wel eeuwig onthouden blijven. Ik hou van al onze eilanden, vanwege de geur, het licht, het fietsen over de schelpenpaadjes, het zwemmen in de soms sterke branding, de planten, alles. Maar Terschelling heeft mijn grote liefde. Helaas voor de toegankelijkheid voor onszelf en gelukkig voor hen, zijn er veel, heel veel mensen die deze gevoelens met me delen. Ik gun het ze graag. Het eiland heeft velen levensvreugde gegeven.

De seizoensdrukte was voor de oorlog wel anders. Toen werd er nog nauwelijks gekampeerd. Mijn vader was leraar en had daardoor een lange zomervakantie. Een deel daarvan werd op de eilanden, en met name op Terschelling doorgebracht. Daar was een tijdlang een terrein waar je een tent kon opzetten bij Midsland aan Zee, waarvoor je een vergunning moest halen bij Staatsbosbeheer in West. In juli stonden er drie tenten op dit duinterrein, herinner ik me, waarvan twee van mijn familie. Onze tenten werden vanuit Groningen met Van Gend en Loos vooruitgestuurd. Zelf werden we opgehaald door meneer Cupido, met een witte pet op, die de zaken op de kade regelde. Een stevige, betrekkelijk korte man. Het kampeerterrein had een waterpomp, die je aan de gang moest krijgen door er eerst van boven water in te gieten. Het water smaakte naar ijzer, maar dat was gezond, zeiden mijn ouders. Behalve de pomp was er nog een voorziening op het kampeerterrein, namelijk een klein “huisje” met een plee, waar het stonk. Verderop waren er een paar zomerhuisjes. Die staan er nog, met tientallen nieuwere. In het najaar kregen we een kistje cranberry’s toegestuurd van Zaadnoordijk.

Wat hebben we genoten van het eiland. Mijn ouders hadden daar ook nog kennissen, zoals de Liernurs, de familie Jacobs in huis Zonneschijn bij Lies en de familie De Wildt, waarvan de man huisarts was, die in Lies of Hoorn woonde. Hij is daar, omstreeks 1938, weggegaan. Hij hield wel van het eiland, maar hij moest toch ook aan zijn eigen pensioen denken. Op Terschelling werd hij nauwelijks betaald, al kreeg hij af en toe wel eens een duinkonijn van zijn patiënten. Misschien werd hij ook betaald uit een doktersbus, de voorloper van de ziekenfondsen. In elk geval kon hij daar geen normale pensioenpremie van betalen. Geld eisen voor zijn behandeling ging ook niet, want de meeste boeren hadden vrijwel niets. Daarom ging de familie naar Groningen, waar hij, dokter De Wildt, bij de GGD nog iets van een pensioen kon opbouwen. Het was een aardige familie.

Dat is iets wat ik eigenlijk wou laten zien: de vooroorlogse armoede op het nu zo welvarende eiland. Voor de tweede wereldoorlog waren de Waddeneilanden arm, zoals het grootste deel van de Nederlanders nog arm was, en dan nog wat extra. In de jaren vijftig heb ik met familie en met vrienden gekampeerd op Terschelling. Ik herinner me nog goed de oude weduwe Mier, met een piepklein zuivelwinkeltje, waar we onze kaas en melk kochten en Tjaard Boer, een jonge man met een fiets met een wilgentenen mand voorop,  waarmee hij kruidenierswaren bezorgde. De familie Mier heeft een grote supermarkt neergezet in Formerum. Tjaard Boer bouwde een supermarkt in Midsland-Noord.  Later bleef daar een slijterij van over. De opkomst van de families Mier en Boer is typerend voor de ontwikkeling van het eiland. Pas in de jaren zestig kregen de meeste mensen een paar weken vakantie en hadden ze genoeg geld om daar iets mee te doen. Toen kwam eindelijk ook het massatoerisme op, waar de bewoners van de Waddeneilanden, net als hun bezoekers, zo van geprofiteerd hebben.

Gelukkig is het karakter van het eiland, met zijn gevarieerde landschap en de aardige dorpjes toch gelijk gebleven, ondanks de vertienvoudiging van de bevolking in het seizoen, ondanks de afbraak van Hotel Rijff in de oorlog, ondanks de nieuwbouw (vaak voortreffelijk in stijl) en de vele kampeerterreinen die erbij kwamen en ondanks het ontstaan van de inham bij het Gat van Ameland. Hulde daarvoor aan de gemeenteraad en andere (gemeentelijke) instellingen die een oog hebben gehouden op de stijl van de nieuwbouw. Ik voel het nog steeds als “mijn Terschelling”, met het genot van het weerzien van alle bekende punten. Terug naar Terschelling, zingt Hessel. Zo gebeurt het en zo moet het.

P.G. Dekker

Oosterbeek, september 2007

Reacties