Van hen en hun, hullie en zullie
Van
hen en hun, hullie en zullie
Taalgebruik is zo aan stand gebonden. Maar de standen
zijn zo weggesmolten, of moet ik versmolten zeggen? Als ze het onderwerp van
een zin vormen dan vind je - al ver voor de tweede wereldoorlog - de vorm hun
bij de arbeidersklasse. Daarnaast hoorde je vroeger ook hullie vrij veel,
mogelijk naar analogie van jullie. Ik, jij, hij, wij, jullie en hullie.
Eigenlijk is dat hullie wel een aardige vorm na jullie. Hullie hebben naast hun
hebben. Hem heb (of hep) naast hij heeft. In een wat ontwikkelde omgeving kreeg je dan een
figuurlijke klap op je vingers bij een dergelijk taalgebruik: dat zeggen alleen
onontwikkelde mensen!
Het is net zoiets als met het gebruik van plee, poot
en bek. Dat is een woordgebruik van grofbesnaarde lieden. Wij ontwikkelde en
beschaafde mensen doen daar niet aan mee. De ontwikkelde burgerij gedraagt zich
uiteraard beschaafd en is bovenal heel fatsoenlijk, zoals de Hallemannetjes,
die zo bijzonder fatsoenlijk waren, in Multatuli’s Woutertje Pieterse. Multatuli
vindt dat zo typerend voor die jongens dat hij ze geregeld aanduidt als de
Hallemannetjes d.z.b.f.w..
De adel onderscheidt zich dan weer van de kleinburgers
door plee en poot te gebruiken in plaats van toilet en been. Een dergelijke,
kleinburgerlijke angst om met ruwe, onbeschaafde lieden verward te worden is hier
niet nodig. De adel wil vooral niet kleinburgerlijk lijken en liever niet zo
angstig netjes doen. Een wat grover taalgebruik maakt duidelijk dat je niet bij
de eenvoudige burgerij hoort.
Nu rukt hen op in de spreektaal. Oorspronkelijk
bedacht door Christiaan van Heule in de zeventiende eeuw, om het Nederlands een
wat ingewikkelder grammatica te geven. In de spreektaal blijft het lang hun.
Men zegt algemeen: ik sla hun,
terwijl ik sla hen de schrijftaal is,
dankzij Van Heule. Ik geef hun is
daarentegen zowel schrijftaal als spreektaal, daar hier een derde naamval aan
de orde is. Uit angst voor een fout wordt nu steeds meer een spellinguitspraak
gebruikt, zoals een bevriende taalkundige opmerkt. Kortom hen rukt op, nu ook in de derde naamval, als hypercorrectie. Binnenkort
zullen we ook hen hebben over radio
en televisie horen. We pleiten voor een drastische aanpak van de
taalvernieuwing: Hullie hebbe hen mooi van
vet gegeve. (Neem me niet kwalijk, dat ik zullie even vergeten ben.)
De Amerikaanse socioloog Thorstein Veblen heeft het
klassekarakter van dingen als taalgebruik en musiceren fraai geanalyseerd in
zijn Theory of the Leisure Class. Voor
deze klasse is het noodzakelijk om zich van lagere klassen te onderscheiden
door te tonen dat men de vrije tijd heeft om zich beschaafd te gedragen en
bijvoorbeeld thuis wat piano te spelen. Ook met je taalgebruik kun je je
(eigen) onderscheiden.
Maar nu, in de 21e eeuw is alles anders.
Zou je haast denken. Wat is klasse nog waard? Wat toont klasse, waar klassen
verdwenen zijn? Alleen oude mensen kunnen zich nog ergeren aan modern
taalgebruik. Waar hebben zij zich decennia lang zo voor ingespannen? Oude
mensen, waar maken ze zich druk over? Ze sterven vanzelf wel uit.
Reacties
Een reactie posten