Koning der Joden

 

Waarschuwing: dit stukje is niet geschikt voor lezers die niet (willen) weten dat Jezus een Jood was.

Koning der Joden

Op Goede Vrijdag werd ik opengesneden en op Pasen vond de wederopstanding plaats. Dat zat zo.

Na de oliebollen van oudjaar kreeg ik een ernstig loopprobleem. Oliebollensyndroom leek de eenvoudigste etikettering, maar de neuroloog dacht er anders over. Ik moest een beeld van mijn ruggengraat (tegenwoordig helaas met een n in het midden) laten maken met behulp van magnetische resonantie. “Hebt u mogelijk ook metaal in uw lijf, vroeg hij me voorzichtigheidshalve.” Een eenvoudige vraag, lijkt het, maar ik moest er diep over nadenken.

Metaal? Ja, wat zijn er allemaal voor metalen? Ken ik het periodieke systeem van Mendelejew (en Lothar Meyer) nog wel goed genoeg? Wat zijn er allemaal voor metalen? Horen de halogenen daar ook bij, nee, toch niet. Nu vooruit: magnesium is een metaal en natrium misschien wel en aluminium zeker. Ja ik heb vast wel aluminium in mijn lijf, dat metaal komt zoveel voor aan de oppervlakte van de aarde. IJzer, ja ijzer heb ik zeker in mijn lijf. Mijn bloed zit er vol van. Koper, niet zoveel, denk ik, maar je schijnt er wel wat van in je lijf te moeten hebben. Cesium, mogelijk binnengekregen met zelf geplukte paddenstoelen, radioactief ook nog misschien, na de ellende van Chernobyl. Hafnium, weet ik niet. Uranium, mogelijk een beetje, verdere metalen? Wat is er nog meer? Dat alles schoot niet zo georganiseerd door mijn hoofd, maar dwarrelde ergens als vage associatie door mijn achterhoofd, zoals wij leken dat uitdrukken. De heer Swaab zou dat stellig anders zeggen. Enigszins perplex door deze schijnbaar eenvoudige vraag was ik even met stomheid geslagen. Je wilt zo’n goedwillende en zeer geleerde arts toch een eerlijk antwoord geven. Waar of niet?

“Hebt u mogelijk een hartaanjager? Pacemaker noemen ze dat tegenwoordig in modern Nederlands”, vroeg hij me daarna. Nee, die had ik niet. Pas later bedacht ik dat mijn bek vol goud zat, een edel metaal dat daar door een goede tandarts in gevlijd en geplakt was. Maar dat scheen niet van betekenis te zijn voor de beeldvorming.

Maar laat ik het kort houden. De lijdensweek is toch al niet zo lang. Ik werd doorgestuurd naar een bekende Rooms-katholieke kliniek (de orthodoxe katholieken vieren hun Paasfeest wat later doordat ze de Juliaanse tijdrekening hebben aangehouden en in zo’n instelling was het hele verhaal dus ernstig veranderd). Enfin, de operatie werd gepland voor Goede Vrijdag. Ik voelde even bezwaren opkomen tegen zo’n keuze. Moesten ze me daar ook nog alle erfzonden van de hele mensheid op de schouders laden? Je weet maar nooit. Die Katholieken zijn van oudsher nogal antisemitisch, behalve ten aanzien van Jezus dan, want dat is een edel-ariër, om met de nazi’s te spreken. Wat hebben wij die arme man toch aangedaan met die kruisiging en dan nog een voetenplankje volgens prof. Smalhout, om hem niet te gauw dood te laten gaan. Wat zijn we toch een vreselijke diersoort, waarschijnlijk door de hypertrofie van de grote hersenen.

Maar goed, we leven in een moderne samenleving en de scherpste kantjes zullen nu wel van het geloof afgeslepen zijn. Bovendien was de neurochirurg iemand uit een bekende socialistische familie, en dus redelijk verlicht, dacht ik zo. Maar je weet maar nooit: een zenuwtje is gauw doorgesneden en dan zit je met de gebakken peren, maar wel in een rolstoel, al troostte iemand me met de opmerking dat er heel veel zenuwen in de zogenaamde paardenstaart zitten en dat het bij letsel best bij een klapvoet kon blijven. De neurochirurg had me ook al gerustgesteld: dit was een routinezaakje voor hem. Ik was dus niet al te somber over de afloop.

In de operatiekamer gerold moest ik even wachten, waarbij de nodige bloedmonsters werden afgenomen en allerlei apparaten aan mij bevestigd. Je voelt je dan echt het lijdende voorwerp, al word je nog zo vriendelijk bejegend. Met de anesthesist, anesthesioloog tegenwoordig, vanwege zijn verregaande geleerdheid, kon ik nog van gedachten wisselen over de meting van mijn bloeddruk met centimeters kwikdruk. Verouderd, naar zijn mening. Waarom geen meters waterdruk filosofeerden we. Ja, water is niet zo handig in dit geval, dan moet je het al op de vastgestelde temperatuur brengen en houden, het liefst op 4 graden Celsius, anders is het soortelijk gewicht weer lager, dus ook het gewicht van een kolom van tien meter. Een atmosfeer is ook al niet een zo handige grootheid voor druk. Hoe hoog is die kolom lucht boven ons eigenlijk? En morgen? Nee, Hecto Pascal leek hem geloof ik een betere eenheid. Maar ik ben niet zo thuis in de meterologie, al wil je toch overal een beetje over mee kunnen kletsen, al was het maar om de tijd te verdrijven.

Daar kwam de neurochirurg binnen: “Jongens, alles is een beetje verlaat, maar nu aan de slag. Piet pakt de beitels, Jan de botzaag en Herman de frees…” Daarna ben ik alles vergeten, wat mij overkomen is, terwijl ik de beitels en de zaag er al bij heb gefantaseerd. Herinneringsverlies heet dat. Dat heb ik eerder al eens gehad, toen ik op de fiets, bij Zurich, naast de Afsluitdijk, een betonnen paaltje omver had gereden en met mijn hoofd op de betonnen weg terecht was gekomen. Geen eierschedel, kennelijk, maar mijn verstand is er niet op vooruit gegaan en dat is nooit meer goed gekomen. Nu vergeet ik van alle drie dingen die ik erbij leer vier, zoals wijlen mijn schoonmoeder in spe placht te zeggen. Maar dat is een andere geschiedenis.

Zowel voor als na de operatie moest ik voortdurend aan iedereen in het ziekenhuis uitleggen wat er met mij zou gaan gebeuren, en later wat er gebeurd was. Tenslotte gooide ik de Latijns-medische term er maar tegenaan: lumbale laminectomie, weghalen van stukken wervelboog die op mijn aan het ruggenmerg ontspringende zenuwen drukken. Vernauwingen van de uitgangskanalen die nu verwijd worden, heb ik begrepen. Maar ik ben maar een leek, al is er in de loop van de vele decennia enige kennis opgestapeld, maar bij een leek ligt dat alles er wat als los zand bij, waarvan af en toe wat opstuift. Net als nu, zal ik maar zeggen.

De dag na de operatie mocht ik wat uitslapen. Ik zat vast aan een statief met een zak fysiologische zoutoplossing om me niet uit te laten drogen. Dat was zo’n zeventig jaar geleden wel anders, Toen werd ik zes uren na een langdurige operatie eindelijk eens wakker en had dorst als een verlaten woestijnreiziger na vier dagen midden in de Sahara liggen in de zon. Water, water, smeekte ik iedereen, maar dat mocht ik nou juist niet hebben, omdat ik me dan misschien zou verslikken, of was er een andere reden bedacht? Gelukkig hebben mijn medepatiënten me toen toch stiekem een paar glazen gegeven, maar dat gaf telkens maar heel even respijt.

Nu geen dorst, maar ik had de hele tijd het gevoel dat ik nodig moest plassen. Doe dat maar rustig, zei men mij, je hebt een katheter in je blaas en de urine loopt vanzelf wel weg naar een vat op de grond. Geregeld werd ik aan alle kanten gemeten. De volgende dag kon ik niets, nauwelijks me bewegen, maar zorgzaam werd mij steeds gevraagd: hebt u ook pijn, en hoeveel pijn dan wel? Slikken ging niet, achteroverliggend in bed, drinken dus ook niet en eten al helemaal niet, al werd me wel voorgehouden dat ik dat moest.

’s Avonds, zo’n 24 uur na de operatie werd ik mijn bed uitgejaagd om op een postoel plaats te nemen, daarbij geholpen door twee verpleegsters. “U moet wel rechtop staan”, kreeg ik toegeworpen van de oudste. “Die gebogen houding is niet goed voor uw rug.” Gelukkig - je moet positief blijven denken tenslotte - gelukkig ben ik hoogbejaard en word ik in deze instellingen nog met de beleefdheidsvorm aangesproken, zolang als het duurt. Ik was erg blij dat ik binnen vijf minuten weer op mijn bed kon kruipen. Dames, laat me in ’s hemelsnaam rustig liggen, dacht ik.

De volgende dag, met Pasen dus, moest ik echt opstaan. Eerst werden de verbindingen met het infuus verbroken en alle pleisters met en zonder naalden van mijn arm afgerukt. Mag het nog een dag blijven zitten, alstublieft, smeekte ik, erbij denkend, ik ben al zo oud en moe. Ik drink zo moeilijk. Nee, zei de jeugdige verpleegster, u moet nu zelfstandig worden. En wangs, daar ging de ene pleister, met haren en al, zoals dat gaat. Wangs, daar ging de volgende en wangs, daar was de derde al van mijn lijf gescheurd.

Mag de katheter dan tenminste nog een dagje blijven, vroeg ik wat hulpeloos, want zonder die moet ik overeind komen en ik kan nog niets. Die katheter zat met iets groters in mijn blaas geklemd, zodat hij er niet uit kon schieten. Dat verwijderen leek me een moeilijke operatie, waar ik misschien wel liever niet bij zou zijn. Ik ben nogal op mijn piemeltje gesteld, penis is wortel in het Latijn en klinkt zo deftig voor zo’n aanhangsel. Ik wil liever niet dat onbevoegden daar pijnlijke dingen mee doen, tatoeages erop plaatsen of stukken van de huid afknippen om al dan niet gelovige ideeën. Nee, in godsnaam, blijf eraf en wees er voorzichtig mee, steek er niets in dat er niet in thuishoort, als het even kan. Nu ja, de lezer heeft het allang begrepen. “Laat alles nog maar even rustig zitten tot morgen”, dacht ik, “dan ben ik wat beter in staat om al deze ellende te verdragen.” Nee hoor, zei de verpleegster. Dat geeft maar ontstekingen, Voordat ik mijn hand ervoor kon steken, wangs, daar was de katheter al uit mijn piemeltje gerukt, met verdikking en al. Een straaltje bloed liep over mijn hand die ik nog net ter bescherming in de buurt had willen brengen.

Na een uurtje uitrusten werd ik door twee verpleegsters en later nog eens door een fysiotherapeute uit mijn bed en de gang op gejaagd. “Vooruit, u moet lopen. De vaart erin houden.” Die vaart was helemaal niets voor mij op dat moment, maar ik begreep dat alles voor mijn bestwil was. De fysio leerde mij ook dat ik anders uit mijn bed moest komen dan ik deed, terwijl ik mijn uiterste best deed om niet teveel pijn te krijgen van een diepe wond achter op mijn rug. Gelukkig ben ik daaraan gewend, aan die fysiotherapeuten. Mijn bewegingen zijn nooit goed zoals ik ze zelf uitvoer, ook al beweeg ik me al meer dan tachtig jaar zoals ik doe, op mijn eigen onbeholpen wijze. Weer moest ik een aantal malen uitleggen wat er met mij aan de hand was en wat de operatie had ingehouden, steeds aan mensen die allang mijn dossier hadden gelezen. Het zal wel nodig zijn geweest om te zien of ik zelf wel wist wat Pasen voor mij inhield en of mijn verstand niet teveel had geleden onder alle beproevingen. De trap hoefde ik nog niet op en af, toen ik smeekte om daar nog een dagje mee te wachten. De volgende dag was er een andere fysiotherapeute, even aardig, en even onverbiddelijk. De trap op en nu weer naar beneden. “Ja, het gaat. Vandaag nog naar huis.”

Nu, de operatie is geslaagd en de patiënt nog in leven. Af en toe bestudeer ik de sterftetafels om te zien wat mijn kansen zijn voor een verder leven na deze ingreep. Voorlopig heb ik alleen nog maar een grote diepe wond, goed gehecht met zoiets als raffia, waarvan de uiteinden naar buiten steken, als een staart die ik altijd al graag had willen hebben. Mijn vrouw heeft er een strik in gezet ter verhoging van de feestvreugde. Pasen is weer voorbij, maar het was me het feestje wel.

Nero Zwart

Oosterbeek


Reacties