Economische groei... zand erover

 

Economische groei…. zand erover

We moeten alles doen om economische groei te krijgen, zegt iedereen. “Stel je voor dat we er nog een feestdag bij zouden krijgen”, sprak laatst een bekende politicus op de TV, “er wordt toch al te kort gewerkt”. Straks is een groot deel van de bevolking grijs of wit. Het probleem is dus om toch nog te groeien.  Of is dat allemaal maar onzin, die we onszelf als waar aanpraten?

In lang vervlogen tijden had een volkshuishouding vrijwel geen arbeidsverdeling. Er werd niet meer dan zo’n drie uur per dag gewerkt aan een beetje landbouw (met plantstok) en wat jacht. Die periode wordt nu aangeduid als het stenen tijdperk. Misschien was er vaak honger in die tijd en dreigde er gevaar van alle kanten. Mogelijk waren de mensen toch gelukkiger, misschien ook niet. In elk geval heeft die periode meer dan 99% van de menselijke geschiedenis in beslag genomen en zijn in die periode onze instincten gevormd en misvormd. Als we terug willen kijken naar onze geschiedenis om te begrijpen wat onze ware behoeften zijn, dan zullen we dus niet stil moeten blijven staan bij de Middeleeuwen of de Klassieke Oudheid, maar naar het Stenen Tijdperk moeten kijken.

Sindsdien is er wel het een en ander veranderd met onze soort. We zijn uitgezwermd over het grootste deel van de aarde en hebben onze productie ven voedsel enorm uitgebreid. Maar ook wordt steeds meer voedsel geproduceerd door steeds minder mensen. Het deel van de Nederlandse beroepsbevolking dat zich bezig houdt met voedselproductie – met name de boeren -  is afgenomen van nog zo'n 40 procent vlak na de tweede wereldoorlog tot ca. 3% in de eenentwintigste eeuw. Ook als je de naar de agro-industrie overgehevelde arbeid erbij betrekt blijft de aan voedselproductie gebonden arbeid beneden de 10%. Daardoor kunnen we ons nu wijden aan andere zaken, zoals medische en andere zorg (steeds belangrijker wordend), aan andere dienstverlening, een beetje industrie die ook steeds minder mensen vraagt en bovenal aan vermaak.

Eigenlijk is vermaak het belangrijkste product, nu de productie van de meeste tastbare goederen steeds minder tijd en inzet vraagt. Radio en televisie hebben de meest gevraagde vormen van vermaak gemaakt tot iets wat algemeen toegankelijk is geworden. Iedereen kan een voetbalwedstrijd nu zien, gewoon thuis, op eigen buis. Daarmee zijn dergelijke wedstrijden geworden tot een ideale plaats om reclame te maken. Bedrijven hebben veel geld over voor die reclame. De meest bekeken vormen van vermaak bieden dan ook hoge inkomsten voor de organisatoren en de beste gladiatoren. Niet de geleerden, maar de vermakers verdienen de miljoenen, die wij zo graag zelf binnen zouden halen.

Nu we in de gaten beginnen te krijgen wat het nationale product bevat kunnen we ons ook even bezig houden met de groei hiervan. Het nationale inkomen (de andere kant van de medaille van het nationale product) groeit als er een tenniswedstrijd extra wordt uitgezonden. Het groeit ook als er een extra koude winter is waardoor we meer van ons Groningse aardgas verstoken. Het groeit ook na een overstromingsramp als we extra woningen en infrastructuur moeten herstellen. Laten we nog een paar groeioorzaken noemen voor de liefhebbers van rijtjes:

-          extra milieuverzorging in verband met extra vervuiling

-          extra reclame en tegenreclame

-          extra processen (advocaten weten als geen ander dat ze elkaar nodig maken)

-          extra vechten van lagere met hogere overheden om uitkeringen

-          extra wegenaanleg en extra slopen van wegen

-          extra beveiliging tegen toenemende diefstal

-          extra ontginningen en extra terugbrengen van landbouwgronden in “natuurlijke staat”

Kortom alle extra activiteiten die betaald worden door een ander, particulier of overheid, leveren extra nationaal inkomen op. Dat geldt ook voor beveiliging tegen terrorisme, voor oorlogvoering, enz.  De betekenis van het nationale inkomen als een geagglomereerd psychisch inkomen is onder meer al aardig beschreven door Irving Fisher (The Nature of Capital and Income, London, 1906). In dat boek worden al vele valkuilen in en om het begrip beschreven. Nu is het voor de meeste mensen allang niet veel meer dan een grootheid die je liefst aanduidt met een indexcijfer, of een cijfer om je eigen land te vergelijken met een ander land. 

Nationaal inkomen per hoofd van de bevolking lijkt uitstekend als het hoog is en vooral als het hoger is dan vorig jaar. Er moet dus meer gewerkt worden om de inkomsten te verhogen, liefst meer vermaak geschapen, meer wegen gebouwd, meer reclame gemaakt, meer gerookt en gedronken (ook nog goed voor staatsinkomsten en sterftecijfer), meer popconcerten gegeven, meer auto’s gemaakt, meer, meer, meer, meer afgebroken en weggegooid, meer geconsumeerd, meer geïnvesteerd, meer vernield en hersteld. Lang leve de vicieuze complementariteit.

En wij economen, wat willen wij dan het liefst? Hogere dus betere indexcijfers, meer inkomen, minder vrij, minder gepensioneerden, meer werkenden, een hoger nationaal inkomen, meer groei!

Ach wat, ….. economische groei… zand erover.

P.G. Dekker

Oosterbeek, 15 november 2004

Reacties