Groot, groter, grootst, schaalvergroting en het theorema van Graicunas

 

Groot, groter, grootst, voor- en nadelen van schaalvergroting,

het theorema van Graicunas

Elke fusie of acquisitie lijkt tegenwoordig aantrekkelijk. Bedrijven slokken elkaar op, gemeenten moeten samengaan, waterschappen en provincies mogen verdwijnen. Europa lijkt al te klein voor de Europese Unie. Een paar vragen dringen zich op.

-           Hoe is het in ’s-hemelsnaam mogelijk dat Ahold er bijna onderdoor ging na alle aanwinsten in                 Amerika?

-           Waardoor zijn er zoveel verliezen geleden na de grootste bankovername die we in ons    land                  hebben meegemaakt?

-           Waardoor functioneren de vergrote ziekenhuizen vaak zo matig?

-           Functioneren grotere gemeenten echt beter? En in welk opzicht en voor wie? Wat gebeurt                      er bij samenvoeging?

-           Waarom zouden provincies moeten samengaan? Waarom ministeries?

-           Wat en voor wie is het voordeel van de Europese Unie?

-           Wat is het voordeel van grotere landen? Zijn ze rijker, overzichtelijker, beter bestuurd?

-           Waardoor gingen de wereldrijken ten onder? 

Dure fusies van gemeenten

In ESB van ca. 10 juni 2010 heeft  M.A. Allers aangetoond dat de samenvoeging van gemeenten alleen maar extra geld heeft gekost. Eerder vond verwant onderzoek plaats, waarbij bleek dat er nauwelijks tot geen relatie is tussen de functies op grond waarvan verfijningsuitkeringen aan gemeenten plaats vonden en de uitgaven van gemeenten. (Naar een simpeler systeem voor de gemeentefinanciën, C.L.J. van der Meer et al., Inst. voor Economisch Onderzoek der Ec. Fac. R.U.G.. 1974). Daarbij werd de conclusie getrokken dat uitgaven meer politiek bepaald worden dan door functies van de gemeenten. Een commentaar van een expert was dat er ook burgemeesters zijn die een spoor van financiële vernieling door Nederland trekken. Er is echter meer te zeggen over vergroting van organisaties aan de hand van enige voorbeelden.

AHOLD

De vraag naar de mislukking van de aankopen in de VS. door Ahold is eenvoudig te beantwoorden. Het concern kocht voor veel geld bedrijven die meer schulden hadden dan bezittingen. Door onvoldoende of slecht onderzoek van de financiële situatie van die bedrijven kreeg Ahold er netto veel schulden bij. De president-directeur was een goede econoom die zich echter kennelijk mee liet slepen door een allesoverheersende zucht naar grootsheid. Zelf werd hij er niet beter van. De koers van Ahold steeg tot grote hoogten, waarna hij weer kelderde toen de balansen een veel te gunstig beeld bleken te hebben gegeven en het concern bijna ten onder ging aan de megalomanie.

De bankencrisis

Het grote verlies van het Belgische Fortis na de overname van ABN-AMRO ontstond doordat Fortis het geld niet had om de overname te betalen en nieuwe aandelen moest uitgeven voor de financiering. De aankoop was dus met geleend vermogen gedaan in plaats van met eigen vermogen. Voor een nieuwe emissie was het tijdstip net te slecht door de zogenaamde hypothekencrisis in de VS. Vervolgens viel het vertrouwen in Fortis weg en trokken bedrijven hun deposito”s bij die bank terug. Te weinig eigen vermogen gecombineerd met een al te stoutmoedige aankoop op de pof deed Fortis de das om.  De genoemde Amerikaanse crisis was onder meer veroorzaakt door het uitlenen van gelden op hypotheek aan mensen zonder geld (o.a. de zgn. Ninja-hypotheken, leningen aan mensen met No Income, No Job and No Assets). Interessant is in dit verband, dat Amerikaanse banken jaren eerder al ernstige problemen hadden gehad door grote bedragen uit te lenen aan landen in Zuid-Amerika. Dat geld werd onproductief gebruikt, voornamelijk door de machthebbers, die het waarschijnlijk doorgesluisd hebben naar eigen rekeningen in de VS of Zwitserland, of een andere vrijhaven voor dubieus verworven vermogen. Op grote schaal uitlenen van gelden aan landen of personen die waarschijnlijk niet terug kunnen betalen geeft problemen. Destijds werden de verliezen over een langere periode afgeboekt om niet in één keer zoveel verlies te hoeven tonen.

In ons eigen land hebben we de Westland-Utrecht Hypotheekbank vrijwel ten onder zien gaan door het verstrekken van veel te hoge hypothecaire leningen. Tophypotheken deden een paar jaar later ook de Fries-Groningse Hypotheekbank de das om. Het gemakkelijk verkrijgen van hoge hypothecaire leningen (tot bijv. meer dan 125 %  van de geschatte waarde van een pand) heeft ertoe geleid dat de prijzen van onroerend goed enorm zijn gestegen in de afgelopen twintig jaar. Natuurlijk speelde daarbij ook de lage rentevoet een rol. Veel mensen denken dat de overheid het beter zou doen als eigenaar van een bank. Helaas wordt er nu juist uit politieke hoek vaak op aangedrongen starters meer faciliteiten te geven om een huis te kopen. Dat een premie op aankoop snel leidt tot verhoging van prijzen wordt makkelijk over het hoofd gezien en eigenlijk ook nauwelijks begrepen, net als het hele, bij economen zeer bekende afwentelings- en voortwentelingsmechanisme van lasten en voordelen. Het zou niet asociaal zijn om te eisen dat mensen die een huis willen kopen eerst tenminste 10% van de aankoopsom zelf moeten hebben gespaard. Om dat aan te moedigen zouden speciale spaarvormen kunnen worden gecreëerd. Extra eisen aan spaargedrag zouden de prijzen van huizen negatief  beïnvloeden, wat ongunstig zou zijn voor eigenaars van onroerend goed.

Terugkijkend op de bancaire sector is het verbazingwekkend dat deze zo weinig belangstelling heeft getoond voor het verleden van de bedrijfstak. Het voortdurend verlagen van het relatieve aandeel van het eigen vermogen maakte een gestaag uitbreiden van de hoeveelheid geld mogelijk. Dat wordt nu soms als de motor gezien van de welvaart. Anderen zien het meer als de aanjager van de inflatie. 

Grote ziekenhuizen

In ons land zijn de ziekenhuizen de laatste decennia steeds sterk vergroot en vernieuwd. Vele nieuwe ziekenhuizen suggereren dat de bouwheren zich verplicht voelden om een tempel te bouwen voor Hippocrates, in plaats van een utiliteitsgebouw. Sommige ziekenhuizen gingen ook nog tapijten leggen om hun welvaart te etaleren, minder geïnteresseerd in de negatieve effecten daarvan op de hygiënische situatie. Jaren geleden werden we geattendeerd op de financieringsproblemen die bij de nieuwbouw ontstonden toen een van de deelnemende ziekenhuizen, bestemd voor verkoop, ineens in beslag werd genomen door krakers. Na veel onderhandelingen werd ten slotte besloten de kosten van dit verlies te laten dragen door de ziektekostenverzekeraars, dus de premiebetalers. Inmiddels werd dat nieuwe ziekenhuis al weer vervangen door een ander. 

De kosten van vele nieuwe gebouwen maken de gezondheidszorg in ons land natuurlijk niet goedkoper. Dat geldt ook voor de snelle aankoop van relatief weinig gebruikte apparatuur (bijvoorbeeld een nieuwe bestralingseenheid wanneer de twee bestaande elk nog geen veertig uren per week worden gebruikt).Het is begrijpelijk dat een wat kostenbewuster omgaan met investeringsgoederen verliezen kan doen ombuigen in winsten, zonder verlies aan kwaliteit (getuige de recente resultaten bij de IJsselmeerziekenhuizen). 

Vergroting van ziekenhuizen door samengaan van kleinere heeft het evidente voordeel dat het mogelijk wordt ook minder frequent voorkomende ziekten te behandelen, door het grotere verzorgingsgebied. Bezwaar is daartegenover de toenemende bureaucratie. Eén specialist beklaagde zich daarover met de volgende beschrijving.

“Vroeger had ik wel eens een patiënt van wie het ziektebeeld niet helemaal duidelijk was. Ik zag dan een collega op de gang en vroeg hem of hij even mee wou gaan om zijn oordeel te geven. Nu, na de fusie, moet ik dat consult beargumenteerd en in drievoud aanvragen bij de directie en krijg dan na een paar dagen toestemming. Dan is de patiënt al dood of genezen. Het werkt niet.” 

Interessant is mogelijk een vergelijking met bedrijven. Door invoering van de stoommachine werden ze vaak genoodzaakt om grotere eenheden te vormen, de elektromotor maakte dat kleinere bedrijven weer gelijke kansen kregen. Voor sommige processen is een grote organisatie onvermijdelijk, voor andere niet. De vereisten evolueren in de loop van de tijd. Naast grote ziekenhuizen kunnen kleine categorale wenselijk en efficiënt zijn. 

Schaalvergroting en theorema van Graicunas

Schaalvergroting lijkt aantrekkelijk, maar blijkt veelal zeer negatief uit te werken. Hoe komt dat? Het lijkt zo duidelijk dat schaalvergroting voordelen heeft door vermindering van algemene kosten (“overhead”). De leiding van een grotere organisatie heeft echter de neiging en de macht om eigen salaris te vergroten en meer tweede echelons van leidinggevenden te creëren. Mogelijk nog belangrijker is de werking van het theorema van Graicunas. Deze van oorsprong Litouwse organisatiekundige heeft beschreven hoe het aantal contacten in een organisatie bijna exponentieel stijgt bij een vergroting van een organisatie. (De groei van het aantal contacten kan goed geïllustreerd worden door van twee naar drie en vervolgens naar vier personen te gaan, enz. en lijntjes te trekken tussen elk der deelnemers. Het totaal aan contacten bij n personen is gelijk aan (2n+n/2(n-1)-1.)  Dat maakt het moeilijk om in grote organisaties efficiënt te blijven werken. 

In de luchtvaart zie je dan ook steeds weer nieuwe kleine maatschappijen ontstaan die een deel van de markt overnemen van de grote organisaties. Virgin Air is al weer aardig groot geworden. Hier te lande is bijvoorbeeld Corendon een van de opkomende kleine vliegmaatschappijen. In dit geval een maatschappij van een Turkse Nederlander die recentelijk nog in het Tv-programma van Pauw en Witteman als zelfstandige ondernemer in de schijnwerpers werd gezet. Zo weten kleine ondernemingen steeds weer binnen te dringen op het terrein van veel grotere organisaties. Hoe groter en logger de organisaties, hoe meer kans de kleintjes hebben, behalve als de overheid de groten een soort monopolie verschaft, waarbinnen zij hun inefficiënties ongestraft kunnen handhaven. Daarvan hebben vele grote organisaties, waaronder ziekenhuizen en scholen kunnen “profiteren”. 

Samenvoeging van gemeenten

De laatste decennia zijn vele gemeenten samengevoegd. In 1900 waren er nog ca. 1120 gemeenten, in 1930 nog ca. 1080, in 1970 nog ruim 900 en nu in 2010 slechts ruim 440 (CBS). Is dat vooruitgang? Bij erg kleine gemeenten kan extra makkelijk een te grote willekeur optreden en bevoordeling van familie en vrienden van de uitvoerende gezagsdragers. Grote gemeenten zijn vaak wat makkelijker om geld uit te geven, krijgen meestal ook meer per inwoner, vaak met verwijzing naar hun zogenaamde centrumfunctie. Bij een onderzoek naar gemeentefinanciën in de jaren ‘70 bleek echter dat in gemeenten van elke grootte excessieve uitgaven konden voorkomen. Recentelijk hebben we nog forse begrotingsoverschrijdingen gezien bij onze grootste gemeente, onder meer bij de bouw van een “stopera” en een metro, gedeeltelijk veroorzaakt door een gebrek aan doordachte planning en adequate  kostenbewaking. Op rijksniveau kunnen we analoge verschijnselen zien, bijvoorbeeld bij verbouwing van musea. Het niveau van de organisatie is dus geen waarborg tegen verspillingen. Persoonlijk heb ik juist bij kleinere gemeenten gezien hoe ambtenaren en bestuurders zich veelal identificeerden met de gemeentelijke huishouding en zuinigheid voorop stelden. Een wethouder zei me letterlijk: “ik bekijk het als mijn eigen bedrijf en vraag me altijd af wat ik als boer zelf zou hebben beslist bij een voorgestelde investering”. Zo blijven de uitgaven inderdaad enigszins binnen de perken. 

Waterschappen samenvoegen met provincies

Momenteel overwegen enige groeperingen om de waterschappen bij de provincies te voegen. Die laatste hebben immers toch al het toezicht. NRC-Hbl. berichtte op 3 mei 2010 in een artikel dat de waterschappen de laatste drie jaar hun kosten met 3 procent lieten stijgen, de provincies daarentegen met 16 % (artikel van H. Kuks en S. Bresser, p. 7). Wat zouden we moeten willen, lage kosten of een zo overzichtelijk mogelijk organigram, vraagt de toeschouwer zich dan af. Die provincies zouden zelf weer tot een viertal moeten worden samengevoegd, zegt de moderne bestuurder, of zelfs opgeheven. Ook hier komt de vraag op, wat moet worden bereikt. Een volstrekte centralisatie op het niveau van Den Haag of zelfs Brussel is niet wenselijk. Dat lijkt evident. De beslissing over bijvoorbeeld het tracé van autosnelwegen dient in hoofdlijnen op rijksniveau genomen te worden. Plaatselijke wegen worden nu meestal provinciaal beheerd. Dat zou ook kunnen door regionale afdelingen van een rijksdienst, maar daarmee verdwijnt er wel iets van de nu ingebouwde regionale invloed via de gekozen Provinciale Staten. 

Centralisering

Centralisering van bevoegdheden en bestedingen komt de invloed van de bevolking op bestuurlijke handelingen niet ten goede en dient dus geen democratisch doel. Hoe centraler de overheid, hoe meer deze vatbaar is voor ideologische benaderingen van problemen ook als de uitwerking tegen de zin van de hele bevolking in het betroffen gebied is. Dit alles zonder aperte voordelen voor anderen. De wil van ministers Cramer van Milieuzaken en Van der Hoeven van Ec. Zaken om - tegen de uitgesproken bezwaren van heel Barendrecht - aldaar CO2, een potentieel giftig gas,  in de grond te injecteren is hiervan een fraai voorbeeld. Het beste is het effect van centralisering van bevoegdheden te zien bij communistische regimes. Verkeerd hanteren van parameters gecombineerd met een geloof in de alwijsheid van het centrale regime leidde zowel in de USSR als in China tot hongersnoden met tientallen miljoenen slachtoffers. Daartegenover wisten deze regimes ook grote, nationaal positief te noemen prestaties zien, zoals vliegtuig- en tankproductie tijdens de tweede wereldoorlog en maken van atoombommen en raketten. 

Samenvoegen of opheffen van provincies

De provincies zijn gedurende de laatste decennia van vele bevoegdheden ontdaan. Hun functies zijn daarmee zover uitgehold dat gezaghebbende commissies al jaren samenvoeging hebben bepleit, terwijl politieke partijen dit thema recentelijk hebben overgenomen of zelfs uitgebreid tot het voorstel om de provincies helemaal op te heffen. In Frankrijk zijn de provincies allang opgeheven om de centrale macht van de Parijse overheid te versterken. Aangetoond is dat hier te lande de provincie meestal nauwelijks tot de verbeelding spreekt (provincialisme is daarentegen allerminst verdwenen, elk stadje waant zichzelf de belangrijkste metropool ter wereld, Amsterdam voorop). Geen wonder na de uitholling van functies, zoals aangetoond door de Commissie Geelhoed (Op schaal gewogen, regionaal bestuur in Nederland in de 21ste eeuw, Inter Provinciaal Overleg, Den Haag, 2002 blz. 43, 47 en 59). Bij de hele discussie over de bestuurlijke organisaties wordt weinig nagedacht over functies en wordt steeds uitgegaan van voordelen van schaalvergroting. De mogelijkheid van identificatie met bestuurlijke eenheden, belangrijk voor democratische legitimatie van gezag, wordt nauwelijks overwogen. 

Samenvoegen en opheffen van ministeries

In politieke kringen wordt al decennia gesproken over een te groot aantal ministeries. Bij verdeling van ministersposten kan het handig zijn een nieuwe post erbij te maken om makkelijker een compromis te bereiken over de verdeling van posten over mensen uit verschillende partijen. Een dergelijk nieuw ministerie neigt ertoe zich te handhaven. Door een groter aantal ministeries kan besluitvorming binnen een regering wat bemoeilijkt worden. Samenvoeging van ministeries kan de slagvaardigheid mogelijk wat vergroten. In een echte democratie is slagvaardigheid echter meestal niet het eerste vereiste (de mate van democratie, rekening houden met het volk, kon wel eens evenredig zijn met het aantal partijen. Bij een één-partij-systeem weet je zeker dat er geen democratie is en dat ook vrije meningsuiting taboe is). Slagvaardigheid leidt al gauw tot achteloosheid. Daartegenover moet erkend worden dat vergaderingen met veel deelnemers wel eens erg veel tijd en energie kunnen vergen. Dat bezwaar kan bij een groot aantal ministeries makkelijk opgeheven worden door een zekere hiërarchie aan te brengen, bijvoorbeeld door instelling van een kernkabinet. Laten verdwijnen van ministeries betekent niet automatisch een laten vervallen van regelende functies. Vergroten van een aantal ministeries zal veelal de kosten eerder verhogen dan verlagen. Een terugdringen van nationale regelgeving blijkt buitengewoon moeilijk te zijn, getuige het nog steeds voortbestaan van resten van de corporatieve Organisatie Woltersom uit de oorlog.

Regering en parlement willen zich beide manifesteren met wet- en regelgeving. Nieuwe regelingen vergen werk van ambtenaren voor invoering en controle op naleving. De uitbreiding van Eerste en Tweede Kamer hebben uiteraard deze behoefte aan manifestatie vergroot, zonder de controle ten opzichte van de executieve op hoofdlijnen te verbeteren. Afschaffing en vereenvoudiging van bestaande regels is een moeilijk en stroperig proces. De journalist Peereboom heeft, meen ik, lang geleden een aardig voorstel geponeerd om regels slechts een beperkte levensduur te geven, van bijv. 10 jaar, zodat er moeite gedaan zou moeten worden om ze te laten voortduren. Het uitvoerende apparaat heeft grote moeite om de regels adequaat uit te voeren.

Een aardig voorbeeld is de regelgeving betreffende rijvaardigheidsbewijzen. In buurlanden zijn rijbewijzen het hele leven geldig tenzij ze worden ingetrokken. Hier moet het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen met name voor bejaarde automobilisten elke vijf jaar een nieuw rijvaardigheidsbewijs uitschrijven, waarop de gemeente een rijbewijs moet afgeven. Allemaal extra werk, waar het CBR soms kennelijk niet toe in staat is. Met een superieure minachting voor bejaarden, of een inferieure kwaliteit van de organisatie weet het CBR mensen meer dan drie maanden op het rijvaardigheidsbewijs te laten wachten. De regelgever is mede schuldig door de onnodige ingewikkeldheid zonder ontsnappingsclausule. 

Samenvoegen van ministeries is een moeilijke en ingewikkelde operatie. Wil men bijvoorbeeld het ministerie van landbouw opheffen (waaronder meer zoogdieren en meer oppervlakte aan land vallen dan onder het ministerie van Economische zaken), dan zullen de regelende functies onder een afdeling van een ander ministerie vallen. Dat laatste krijgt dan een grotere organisatie en zal eerder moeilijker dan makkelijker efficiënt te managen zijn. Samenvoeging van ministeries zal dus veelal geen kostenverlagend effect hebben. Het probleem van gebrek aan slagvaardigheid bij het landsbestuur wordt daarmee niet opgelost, wel door sommige ministers een kernkabinet te laten vormen.

De Europese Unie uitbreiden

De E.U. is de laatste decennia enorm uitgebreid, wat mogelijk onvermijdelijk was wegens een soort ereschuld tegenover Polen en de Baltische landen en wenselijk voor hun snelle ontwikkeling voor andere voormalige sowjet-satelieten zoals Hongarije, Roemenië en Bulgarije. De ietwat overhaaste uitbreiding in plaats van een ruime overgangsperiode met associatieverdragen heeft al de nodige problemen gegeven met overmatige concurrentie op arbeidsmarkt en huisvesting, en zal in de naaste toekomst nog meer problemen opleveren.

Nu willen velen de Unie uitbreiden met Turkije, een land dat heel wat minder Europees is dan Rusland en de Oekraïne. De Unie blijkt zelf nauwelijks in staat om haar eigen zaken goed te regelen en heeft grote monetaire problemen door sterke beleidsverschillen tussen Noordelijke en Zuidelijke landen, om het maar netjes uit te drukken. Verschillen in pensioenvoorzieningen zullen de monetaire problemen waarschijnlijk verergeren binnen afzienbare tijd. De Franse politicus Giscard d’Estaing riep een paar jaar geleden vertwijfeld uit dat Turkije niet aan de Unie kon worden toegevoegd. Het probleem, zo zei hij, zat hem niet zozeer in Turkije als wel in de Unie zelf, die haar zaken nog lang niet op orde had. 

De onverwachts grote en nauwelijks te financieren schuldenlast van Griekenland heeft de roep om terug te gaan naar de gulden in ons land zeer versterkt. Een Europese federatie is mooi, en met name wenselijk om politieke redenen (voorlopig geen oorlog meer tussen Europese Landen). In hun haast om de Unie machtiger te maken lijken de politici het explosiegevaar sterk onderschat te hebben. De recente problemen zullen stellig een sterke rem op uitbreidingsplannen opleveren. Zelfs een verdere consolidatie van de Unie zou wel eens bemoeilijkt kunnen worden, nodig of niet. 

Grote en kleine landen, voor- en nadelen

De samenvoeging van staten in een federatie heeft vele machtsvoordelen, vooral voordelen voor de macht van de leidende elite. Grote landen als Duitsland, Frankrijk en Groot Brittannië kunnen in belangrijke mate hun wil opleggen aan de E.U., zolang ze het met elkaar eens zijn. Je zou verwachten dat kleine landen nauwelijks kunnen overleven als je alle voordelen opgesomd ziet. Merkwaardig genoeg is Zwitserland al vele generaties in staat meer te verdienen per inwoner dan de grotere buren. In de geschiedenis kun je de invloed van stad-staten als Athene en Venetië waarnemen. Ook onze relatief kleine Republiek der zeven verenigde  provinciën kon zich in het verleden aardig handhaven te midden van de grotere buurlanden. In de vorige eeuw is Singapore als stad-staat in een paar decennia in staat gebleken om, dankzij een voorbeeldige organisatie, een ongekende welvaart te bereiken. Ook bij staten blijkt de omvang niet steeds grote voordelen op te leveren. Een goede organisatie is makkelijker te bereiken bij een zekere homogeniteit van de bevolking. 

Het is dan ook de vraag of de fragmentatie van Joegoslavië en de Sovjet-Unie  nadeel zal betekenen voor de kleinere eenheden. Oorlogen moeten voorkomen worden. Helaas zijn burgeroorlogen vooral mogelijk bij grote staten met afscheidingsbewegingen, getuige bijvoorbeeld de VS., India, Indonesië, de Filippijnen en Nigeria. Van de VS. is vaak geschreven dat deze staat in haar burgeroorlog tussen afscheidingsbeweging (Confederates) en Unionisten meer slachtoffers heeft gehad dan in de beide wereldoorlogen en de oorlog in Korea samen. Ook de burgeroorlog in het voormalige Brits-Indië, bij de scheiding tussen het Hindoestaanse India en het Islamitische Pakistan kostte miljoenen doden. 

Freddy Heineken heeft in 1992, samen met de historicus Wesseling een atlas van Europa gemaakt, waarin ons werelddeel opgesplitst werd in 75 landen. Daarmee zou een grotere eenheid per staat bereikt kunnen worden, was de achterliggende gedachte.  President Vaclav Havel is een van de weinige wijze staatslieden geweest die een opsplitsing van zijn land in Tsjechië en Slowakije betreurde, maar toch accepteerde zonder er een oorlog om te willen voeren. 

Nederland had heel wat meer moeite dan Tsjecho-Slowakije om te accepteren dat een deel van zijn koninkrijk (Ned. Indië) zich ging verzelfstandigen. De regeringsleiders en andere politici uit die tijd waren dan ook veelal mensen zonder enige buitenlandse ervaring. Provinciaaltjes zou je nu kunnen zeggen.

Samenvattend kunnen we stellen dat de voordelen van grotere staten allerminst zo duidelijk zijn als men ons veelal wil voorschotelen. Een belangrijke overweging daarbij is dat samenvoeging tot een federatie op een gegeven moment centrifugale krachten oproept die op het moment van samenvoeging nauwelijks te voorspellen zijn.

 Zo is een nieuw nationalisme denkbaar in Duitsland met als doel een terughalen van Oost-Pruisen. Nu wordt zo’n mogelijkheid door vrijwel iedereen met een lachje afgedaan en met de opmerking dat die scheiding al meer dan zestig jaar bestaat. Men onderschat daarbij de invloed die nationalistische ideeën kunnen hebben (vgl.  de vanzelfsprekendheid waarmee velen in Israel het Beloofde Land van meer dan twintig eeuwen terug willen herstellen, want “God heeft dat land aan de Joden gegeven”). 

De levensduur van imperia

Het Romeinse rijk heeft eeuwen bestaan, dankzij wat eigenlijk? Mogelijk was de wetgeving superieur. Op een gegeven moment verdwijnt die voorsprong. Het Oost-Romeinse deel bestond nog het langste, tot de Turken Constantinopel veroverden. Het tegenover het Oost-Romeinse Rijk liggende Perzische imperium verloor eveneens veel van zijn glans. Het Britse wereldrijk suddert nog steeds wat voort met zijn Gemenebest relaties. Ondertussen verbleekt het Amerikaanse leiderschap al. Wie kan in gemoede de Europese Unie een levensduur van meer dan een eeuw voorspellen, nu na amper een halve eeuw de scheuren zo duidelijk zijn? 

Paul G. Dekker

Oosterbeek, mei 2010

Reacties