Ras en eigenschappen

 

Raciaal bepaalde eigenschappen

Er is momenteel een hele discussie, met name in de Verenigde Staten, over het al dan niet raciaal bepaald zijn van intelli­gentie. Onge­veer een maand geleden was de directrice van het Duitse Instituut voor bevol­kingsvraag­stukken al zo tactvol om in Caïro te zeggen dat Afrikanen mogelijk minder intelligent waren dan anderen en dat dit een bespreek­baar onder­werp moest zijn. Haar opmer­kingen werden zonder enthousias­me ontvan­gen. Ook de technische ontwikkeling van volkeren wordt wel eens in stelling gebracht om de superioriteit van de blanken aan te tonen. De Aziaten scoorden bij de aangehaalde onderzoeken overigens hoger dan de blanken.

Ik wil me niet te veel verdiepen in alle merites en negatieve kanten van het Amerikaanse onderzoek dat bij de discussie in het geding is en de verschillende commentaren daarop. Ik meen dat men in dit geval bezig is te spreken over wat de Engelsen zouden noemen een "non-issue", dus geen punt dat een discussie waard is. Voor deze stelling zijn er enige rede­nen, zoals:

-de beperkte waarde van intelligentietests

-overwegin­gen van historische aard

-de geringe betekenis voor individuen van waarne­mingen m.b.t. populaties en de conclusies die daaruit getrokken kunnen worden.

Intelligentie van Amerikanen en Eskimo's

Intelligentie heeft een groot aantal componenten. Bijvoorbeeld: geheu­gen, associatievermogen  en uitdrukkingsvaardigheid, of mogelijk zelfs het vermogen tot overleven. Het is een complex begrip. Rekenbegaafdheid bijvoor­beeld is stellig een vorm van intelligentie. Rekenmachines doen dat beter dan mensen, maar ze associëren slechter. Vele zinloze discus­sies zijn er dan ook geweest over de vraag of aan rekenmachines intelli­gentie kan worden toegeschreven. Gezien de emotionele reacties is intelligentie kennelijk een begrip dat mensen liefst voor zichzelf reserve­ren, zoiets als de ziel. Het lijkt wel taboe om ook andere wezens iets daarvan toe te denken. Zodra we ons realiseren dat er sprake is van een groot aantal componenten verdwijnt het magische karakter, omdat het begrip hanteerbaarder wordt. In zijn totale complexiteit leent het begrip zich het beste voor obscurantistische uitspraken. 

We hebben echter allemaal iets van een oordeel over de "intelligentie" van ons zelf en ande­ren. We hebben de neiging die te zien als een aan de persoonlijkheid inherente eigenschap, onveranderlijk en dus erfelijk vastgelegd. Omdat we graag willen vergelijken willen we ook graag een totaal oordeel hebben over intelli­gentie van individuen. Psy­chologen hebben daar iets op gevonden en hebben tests gemaakt. Daar­mee kun je cijfers geven voor verschillen­de delen van iemands intelligen­tie op basis van de antwoorden die de geteste persoon geeft. Met behulp van gewich­ten die de maker van de test aan elke component toekent kun je volgens zijn recept een eindcijfer berekenen. Dat cijfer of getal wordt het Intelli­gentie Quotiënt (IQ) van de geteste persoon genoemd. Het wisselt bij de zelfde persoon onder meer met de test en de stemming, opleiding en gezondheidstoestand van de geteste persoon. 

Als je de bereken­de IQ's van mensen uit verschillende groepen tegenover elkaar plaatst kun je ook uitspraken doen over de verdeling van die berekende waarden bij verschillende groepen. Aange­zien intelligentie al zo'n complex begrip is, is het berekende IQ helemaal niet meer te begrijpen. Graag doet men daarom maar alsof het IQ hetzelfde is als intelligentie. Waar is natuurlijk wel dat deze beide begrippen iets met elkaar te maken hebben, althans volgens de bedoeling van de makers van de toetsen. Spreken we nu over groepen, dan is het denkbaar dat een aantal leden van groep A de beste resultaten boekt met associatietoetsen en enige leden van groep B de beste met geheugen­proe­ven. Het is goed om te bedenken dat de toege­kende gewichten in belang­rijke mate het resultaat bepalen. Een Eskimo die psycho­loog is en in Groen­land woont zal waarschijn­lijk een heel andere test, met andere gewich­ten, maken dan een stedelijke Amerikaan, en als zijn test gekalibreerd is op Eskimo's zullen vele andere Eski­mo's stellig hoger scoren dan de meeste stedelijke Ameri­kanen. 

Een historische benadering van ontwikkelingsverschillen

Vergelijkingen van veronderstelde intelligentie worden ook vaak opge­han­gen aan de technisch/wetenschappe­lijke resultaten die behaald zijn in verschillende groepen. Daarbij vergeet men dan dat het moment waarop die ontwik­ke­lingen plaats vinden steeds in de laatste zeg 100 eeuwen ligt. Babyloni­ërs, Egyptenaren en Chinezen zijn een aantal eeuwen eerder geweest met hun technische beschaving dan de blanke Noord-Europea­nen en de zwarte Afrikanen. Mogelijk zijn deze volken "intelligenter" dan de Europeanen, maar de verschillen in tijd zijn miniem. Een paar eeuwen verschil in ontwikkeling blijkt gewoon beteke­nis­loos te zijn. Het moment van de technische voorsprong kan dus geen feit zijn waarop we een oordeel over geestelijke capaciteiten kunnen baseren. Wat is zo'n 10.000 jaar ten opzichte van de ca. drie miljoen jaren gedurende welke de mensen nu bestaan? Minder dan een half pro­cent.

De betekenis van statistische uitspraken over rassen

Voordat ik inga op de betekenis van de statistische uitspraken over verschillende rassen nog iets over raciale kenmerken. We hoeven niet te doen of die er niet zijn. Natuurlijk zijn er verschillen. Die zien we dagelijks. Er zijn raciale verschillen in huidskleur, zweetklieren, gevoe­lig­heid voor bepaalde ziekten, enz. Er is dus geen reden om aan te nemen dat er geen enkel rasverschil zou kunnen zijn in bepaalde geeste­lijke eigen­schappen als geheugen, rekenvermogen, associatievermogen of muzikaliteit. Daar hoeft niemand zich voor te generen of trots op te zijn. Wij worden er immers zelf niet minder van als er over 100 jaar compu­ters zijn die vrijwel alle denkfuncties beter uitvoeren dan mensen.

Om een en ander aanschouwelijk te maken is het aardig om een voor­beeld te nemen met betrekking tot twee raciale groepen. Laten we eens aannemen dat zwarte mensen gemiddeld harder kunnen lopen en beter kunnen voetballen dan blanken. We bekijken dan een eigenschap die minder emotionele associaties oproept dan geestelijke eigenschappen en die vrij goed gemeten kan worden. (Ook hier zijn natuurlijk verschil­len in uitkomsten mogelijk, bijvoorbeeld bij verschillende typen terrein). Dergelijke waarnemingen over groepen vertonen gewoonlijk een zoge­naamde normale verdeling. Ze kunnen dan weergegeven worden met een Gauss-kromme. De verdelingen zijn als volgt te tekenen.

Hypothetisch vermogen tot hardlopen bij blanke en zwarte popu­laties 

tekening

 

 

 

 

 

 

 

  

Wat moeten we nu met de stelling dat zwarte Afrikanen harder kunnen lopen? Moeten alle blanken zich nu schamen over hun traagheid? Nee, we kunnen eigenlijk alleen stellen dat de modus, de mediaan en dergelijke meer, alle uitdrukking voor een soort gemiddelde, van de zwarte en blanke deelpopulaties op verschillende plaatsen liggen, die van zwart bij een iets hogere snelheidswaarde dan die van blank. (Bij mijn weten gebruikte de Belgische statisticus Quetelet als eerste de uitdrukking "gemiddelde mens". Uiteraard is dat een abstractie en niet een concreet mens van vlees en bloed). Mogelijk is de traagste blanke loper ook nog iets trager dan de traagste zwarte en de snelste zwarte loper iets sneller dan de snelste blanke loper. Mogelijk zullen we de wereldkampioen eerder bij de zwarte deelpopulatie vinden. 

De meeste mensen zitten echter in de middenmoot, ergens tussen A en B, waar ook de grootste delen van de beide deelpopulaties te vinden zijn. Dus al bent u in uw eigen omgeving nog zo'n snelle rakker, de kans is buitengewoon groot dat zowel in de blanke als in de zwarte deelpopula­ties snellere jongens (c.q. meisjes) te vinden zijn. 

De verdeling zegt dus alleen iets over groepen en niets over individuen. Mogelijk zijn uitkomsten van onderzoeken naar raciale verschillen in hardlopen (of andere eigenschappen) toch interessant voor bepaalde typen verder onderzoek. Bijvoorbeeld onderzoek naar bevooroordeeldheid bij tijdwaarnemers, of naar verband tussen voeding en verdere levenswijze en hardlopen. Mutatis mutandis geldt dit alles natuurlijk ook voor de vergelijking van berekende IQ's bij verschillende raciale groepen. Groepsgegevens zeggen echter niets over individuen, alleen over groepen en vaak het meeste over de tests en de daarbij gebruikte methoden. Verschillende uitkomsten voor verschillende groepen hoeven mensen dus niet direct op zichzelf te betrekken. De Gauss-kromme kan iets van het emotionerende karakter wegnemen. Als je die verdeling ziet zegt een normaal mens al gauw: waar zal ik me druk over maken? 

Het IQ van dolfijnen en mensen 

Een aardig voorbeeld voor de geringe betekenis van groepsuitspraken over intelligentie is ook te vinden bij die over dolfijnen. Sommige biologen schijnen te menen dat dolfijnen intelligenter zijn dan mensen. Ze, die biologen, hebben verschillende redenen om dat te denken, waar­onder het relatieve gewicht en het aantal windingen van de grote herse­nen. De vergelijking is voor de meeste mensen taboe. Daar kan ik me echter ook niet druk over maken. Het taboe is wel illustratief voor de anthropocentrische manier van denken van ons mensen.

Laten we nu eens van de hypothese uitgaan dat deze biologen gelijk hebben en dat "de dolfijn" inderdaad intelligenter is dan "de mens". Laten we vervolgens veronderstellen dat er goede intelligentie­tests ontwikkeld kunnen worden die zowel voor de dolfijn als de mens bruik­baar zijn, niet soortspecifiek zijn en dus ook niet a priori een voorkeur opleveren voor de ene of de andere soort. Ook dan moeten we stellig denken in termen van een norma­le verde­ling met een hoger gemiddelde voor de dolfijnen. Mogelijk is ook dan de slimste mens intelligenter dan de domste dolfijn. Opnieuw krijgen we hetzelfde beeld van twee elkaar overlappende Gauss-krommen, mogelijk zelfs wat verder uit elkaar liggend dan bij de vorige figuur. 

Hypothetische verdeling van IQ's bij dolfijnen en mensen

 

tekening

 

 

 

 

 

  

 

 

Ook bij deze figuur zijn er nog steeds vele dolfijnen èn mensen intelli­genter dan een groot deel van de middenmoters. Helaas lijkt het er niet op dat de menselijke intelligentie voldoende hoog is om zelfdestructie van de soort te voorkomen, noch om antropocentrische vooroordelen opzij te zetten. 

De dolfijn echter kan geen duim in oppositie brengen en leeft in een ander milieu dan de mens. Hoe intelligent ook, hij zal nimmer leren timmeren. Noch de dolfijn, noch de mens hoeven zich op te winden of zich beter te voelen over hun iets andere eigenschappen.

Oosterbeek, 23 oktober 1994

 1613 wrdn  

pd24/raseig

 

 

Reacties

  1. Horen hier tekeningen bij? Die kun je opsturen naar Uitgeverij Argos :-)

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten